‘Iedereen is voorstander van het afschaffen van de deskundigenverklaring, ook de deskundigen zèlf.’ Een veelgehoord argument in de discussie over de nieuwe transgenderwet. Maar blijkt dat wel uit dat ene onderzoek uit 2017, dat voortdurend wordt aangehaald? Kort antwoord: Nee. Een kritische analyse van “Recht doen aan genderidentiteit. Evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017.”
Peter Vasterman
Binnenkort krijgt Nederland een nieuwe wet waardoor iedereen zonder enige toetsing het geslacht in zijn of haar geboortebewijs kan veranderen. Een administratieve handeling en er staat dat u niet als jongen of meisje ter wereld bent gekomen, maar als meisje of jongen.
De belangrijkste verandering in de nieuwe transgenderwet is het vervallen van de zogeheten deskundigenverklaring. Daarin geeft een expert, meestal een psycholoog van een genderkliniek aan dat iemand “de duurzame overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de geboorteakte.” Nu deze verklaring komt te vervallen, is het enige dat telt om je paspoort te wijzigen de ‘beleefde genderidentiteit’: of iemand zich man of vrouw ‘voelt’ van binnen.
Consensus over vervallen deskundigenverklaring?
In het debat over de wet wordt veelvuldig verwezen naar een evaluatieonderzoek uit 2017 waaruit zou blijken dat deze deskundigenverklaring kan worden afgeschaft, omdat de genderdeskundigen zélf, die deze verklaringen afgeven, het nut ervan niet zouden inzien. Dat onderzoek, Recht doen aan genderidentiteit. Evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017, werd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd door Marjolein van den Brink, universitair docent Recht aan de Universiteit Utrecht.
Deze “conclusie” wordt door voorvechters van de wet ook telkens aangevoerd als hét argument om de deskundigenverklaring te laten vallen. Zo schrijven Brand Berghouwer, voorzitter Transgender Netwerk Nederland, en Astrid Oosenbrug, voorzitter COC Nederland, in De Telegraaf (10 februari 2022): “Op dit moment hebben trans personen nog altijd een 'deskundigenverklaring' nodig om hun registratie te wijzigen. Maar volgens die deskundigen zelf voegt de verklaring niets toe en kan ze worden afgeschaft. Dat blijkt uit een wetenschappelijke evaluatie die de regering liet uitvoeren.”
Ook toenmalig minister Dekker, de indiener van de wet, voerde op grond van het evaluatieonderzoek aan dat volgens de geraadpleegde deskundigen de verklaring zou kunnen komen te vervallen. Zowel in de Memorie van Toelichting als in de antwoorden van de minister op Kamervragen stelt Dekker: “Volgens de onderzoekers bestaat er onder transgender personen, ouders van transgenderkinderen, deskundigen en ambtenaren een aanzienlijke consensus dat de deskundigenverklaring, in ieder geval voor meerderjarigen, kan vervallen.”
Vlag dekt lading niet
Dus niet alleen de genderdeskundigen, maar àlle geraadpleegde groepen zouden pleiten voor afschaffen van de verklaring. Zo staat het weliswaar letterlijk in het rapport, maar die vlag dekt de lading niet. De deskundigen staan ‘ambivalent’ tegenover de verklaring en zijn onderling verdeeld, maar de ambtenaren burgerzaken zijn in meerderheid juist voorstander van de verklaring. Zelfs bij de verschillende geënquêteerde groepen, (de ouders van transgender kinderen en bezoekers TNN website) is een minderheid voor afschaffen van de verklaring. Alleen de vertegenwoordigers van belangenorganisaties zijn daar unaniem voor: Transgender Netwerk Nederland, COC Nederland, patiëntenorganisatie Transvisie en Nederlands Netwerk Intersekse/DSD (NNID).
Bovendien vertoont het onderzoek bij nadere bestudering tal van wetenschappelijke en methodologische onvolkomenheden: niet alleen zijn er slechts drie (!) genderdeskundigen geïnterviewd, er mankeert ook veel aan de vier enquêtes die als bewijsvoering moeten dienen. Steekproeven zijn onduidelijk, vragenlijsten summier of onvergelijkbaar, resultaten en tabellen met percentages ontbreken, en in één geval hebben maar negen deelnemers aan de enquête meegedaan. Dat maakt het moeilijk te controleren of de resultaten evenwichtig in de rapportage verwerkt zijn, temeer daar Van den Brink tamelijk selectief antwoorden uit interviews en enquêtes weergeeft.
Het is verbazingwekkend dat nieuwe wetgeving gebaseerd wordt op een evaluatie, die meer weg heeft van een soort quickscan dan van een gedegen wetenschappelijk onderzoek.



