vrijdag 6 mei 2022

Heeft dat ene wetenschappelijk onderzoek eigenlijk wel aangetoond dat de deskundigenverklaring kan vervallen zoals pleitbezorgers van de nieuwe Transgenderwet beweren?

‘Iedereen is voorstander van het afschaffen van de deskundigenverklaring, ook de deskundigen zèlf.’ Een veelgehoord argument in de discussie over de nieuwe transgenderwet. Maar blijkt dat wel uit dat ene onderzoek uit 2017, dat voortdurend wordt aangehaald? Kort antwoord: Nee. Een kritische analyse van “Recht doen aan genderidentiteit. Evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017.”


Peter Vasterman 

Download PDF van dit artikel 


    Binnenkort krijgt Nederland een nieuwe wet waardoor iedereen zonder enige toetsing het geslacht in zijn of haar geboortebewijs kan veranderen. Een administratieve handeling en er staat dat u niet als jongen of meisje ter wereld bent gekomen, maar als meisje of jongen. 

    De belangrijkste verandering in de nieuwe transgenderwet is het vervallen van de zogeheten deskundigenverklaring. Daarin geeft een expert, meestal een psycholoog van een genderkliniek aan dat iemand “de duurzame overtuiging heeft tot het andere geslacht te behoren dan is vermeld in de geboorteakte.” Nu deze verklaring komt te vervallen, is het enige dat telt om je paspoort te wijzigen de ‘beleefde genderidentiteit’: of iemand zich man of vrouw ‘voelt’ van binnen. 

 

Consensus over vervallen deskundigenverklaring?

    In het debat over de wet wordt veelvuldig verwezen naar een evaluatieonderzoek uit 2017 waaruit zou blijken dat deze deskundigenverklaring kan worden afgeschaft, omdat de genderdeskundigen zélf, die deze verklaringen afgeven, het nut ervan niet zouden inzien. Dat onderzoek, Recht doen aan genderidentiteit. Evaluatie drie jaar transgenderwet in Nederland 2014-2017, werd in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid uitgevoerd door Marjolein van den Brink, universitair docent Recht aan de Universiteit Utrecht.

    Deze “conclusie” wordt door voorvechters van de wet ook telkens aangevoerd als hét argument om de deskundigenverklaring te laten vallen. Zo schrijven Brand Berghouwer, voorzitter Transgender Netwerk Nederland, en Astrid Oosenbrug, voorzitter COC Nederland, in De Telegraaf (10 februari 2022): “Op dit moment hebben trans personen nog altijd een 'deskundigenverklaring' nodig om hun registratie te wijzigen. Maar volgens die deskundigen zelf voegt de verklaring niets toe en kan ze worden afgeschaft. Dat blijkt uit een wetenschappelijke evaluatie die de regering liet uitvoeren.” 

    Ook toenmalig minister Dekker, de indiener van de wet, voerde op grond van het evaluatieonderzoek aan dat volgens de geraadpleegde deskundigen de verklaring zou kunnen komen te vervallen. Zowel in de Memorie van Toelichting als in de antwoorden van de minister op Kamervragen stelt Dekker: “Volgens de onderzoekers bestaat er onder transgender personen, ouders van transgenderkinderen, deskundigen en ambtenaren een aanzienlijke consensus dat de deskundigenverklaring, in ieder geval voor meerderjarigen, kan vervallen. 

 

Vlag dekt lading niet 

    Dus niet alleen de genderdeskundigen, maar àlle geraadpleegde groepen zouden pleiten voor afschaffen van de verklaring. Zo staat het weliswaar letterlijk in het rapport, maar die vlag dekt de lading niet. De deskundigen staan ‘ambivalent’ tegenover de verklaring en zijn onderling verdeeld, maar de ambtenaren burgerzaken zijn in meerderheid juist voorstander van de verklaring. Zelfs bij de verschillende geënquêteerde groepen, (de ouders van transgender kinderen en bezoekers TNN website) is een minderheid voor afschaffen van de verklaring. Alleen de vertegenwoordigers van belangenorganisaties zijn daar unaniem voor: Transgender Netwerk Nederland, COC Nederland, patiëntenorganisatie Transvisie en Nederlands Netwerk Intersekse/DSD (NNID).

    Bovendien vertoont het onderzoek bij nadere bestudering tal van wetenschappelijke en methodologische onvolkomenheden: niet alleen zijn er slechts drie (!) genderdeskundigen geïnterviewd, er mankeert ook veel aan de vier enquêtes die als bewijsvoering moeten dienen. Steekproeven zijn onduidelijk, vragenlijsten summier of onvergelijkbaar, resultaten en tabellen met percentages ontbreken, en in één geval hebben maar negen deelnemers aan de enquête meegedaan. Dat maakt het moeilijk te controleren of de resultaten evenwichtig in de rapportage verwerkt zijn, temeer daar Van den Brink tamelijk selectief antwoorden uit interviews en enquêtes weergeeft. 

Het is verbazingwekkend dat nieuwe wetgeving gebaseerd wordt op een evaluatie, die meer weg heeft van een soort quickscan dan van een gedegen wetenschappelijk onderzoek.


 

De vraagstelling van evaluatieonderzoek 

    Doel van het onderzoek was om de vorige wet uit 2014 te evalueren. In die wet bleef de deskundigenverklaring als enige voorwaarde over voor een aanpassing van het geslacht in de geboorteakte. De centrale vraag in de evaluatie was in hoeverre: die wet voldoet “aan de doelstellingen van de wet, te weten vereenvoudiging van de procedure en respect voor mensenrechten, en zijn er – mede in het licht van ervaringen in het buitenland – mogelijkheden om de wet nog verder in overeenstemming te brengen met die doelstellingen, zonder afbreuk te doen aan de uitvoerbaarheid of te leiden tot een toename van (identiteits)fraude?” (p.5).

    De vraagstelling maakt duidelijk dat het vooral gaat om een verdere vereenvoudiging van de procedure en het “respecteren van mensenrechten.” Met dat laatste wordt vooral bedoeld het zelfbeschikkingsrecht om zelf over hun genderidentiteit te beslissen. Belangenorganisatie van transgenders beschouwen de deskundigenverklaring immers principieel als een inbreuk op het zelfbeschikkingsrecht. Onderzoeker Van den Brink bekijkt het afschaffen ervan alleen vanuit het perspectief van de uitvoerbaarheid van de wet en het risico op identiteitsfraude. Om die reden zijn voor de evaluatie ambtenaren burgerzaken ondervraagd en is gekeken naar de ervaringen met identiteitsfraude in een viertal landen waar al eerder een wijziging van de geslachtsregistratie mogelijk was op grond van uitsluitend de eigen verklaring van de betrokkene.

    Het onderzoek heeft dus geen betrekking op de inhoudelijke waarde van de deskundigenverklaring die in de praktijk sterk samenhangt met de diagnose genderdysforie, maar daar formeel los van staat. Dat wil zeggen, ook zonder diagnose genderdysforie kan iemand een deskundigenverklaring van een psycholoog krijgen, als die kan vaststellen dat de wens om als het andere geslacht te leven “een duurzame overtuiging” is. Maar de vraag is natuurlijk ook of het handhaven van de verklaring bij kan dragen aan een zorgvuldige afweging bij de behandeling van met name jongeren met genderdysforie. Kan een professional nog wel een behandeling weigeren als iemand al voor de wet van geslacht veranderd is? Dat aspect komt niet aan bod.

    Het evaluatieonderzoek is dus beperkt van opzet en dat verklaart ook waarom er niet gekeken is naar andere misbruikrisico’s. Zoals bijvoorbeeld zedendelinquenten die als man zijn geboren die overplaatsing een vrouwengevangenis kunnen afdwingen als de drempel van de deskundigenverklaring is opgeheven. Terwijl daar intussen in het buitenland tientallen voorbeelden van zijn met alle risico’s van dien. 

 

De methodologie

    Volgens de onderzoeker is het “een verkenning van de ervaringen met de praktijk van de wet van verschillende betrokkenen.” Daarom bestaat het onderzoek naast desk research voornamelijk uit een serie interviews en uit een viertal enquêtes. Gesproken is met vijf overheidsambtenaren, vijf vertegenwoordigers van belangenorganisaties, drie genderteam deskundigen en dertien ouders van genderkinderen. In vier landen, Argentinië, Ierland, Malta en Noorwegen, zijn minstens een overheidsfunctionaris en minstens een vertegenwoordiger van een belangenorganisatie geïnterviewd. 

    Daarnaast zijn er vier enquêtes gehouden: onder ambtenaren burgerzaken (N=57), transgender kinderen en jongvolwassenen (N=177), bezoekers van de website van Transgender Netwerk Nederland (N=97) en bezoekers van de Buiten de Binary Dag’ in Nijmegen (N=9). De enquête van TNN was al uitgezet voor het evaluatie onderzoek begon.

    De onderzoeker geeft in het rapport weinig toelichting bij al deze keuzes en geen verantwoording over de opzet van de verschillende enquêtes (met telkens andere vragen). In de bijlagen staan wel de vragen uit de enquêtes vermeldt, maar niet de vragen die gesteld zijn bij de interviews.

 

De genderdeskundigen

Het is verbazingwekkend dat er voor zo’n belangrijk onderzoek maar drie psychologen geïnterviewd van resp. VUmc, LUMC en UMCG. Er moeten toch in 2017 ook al tientallen psychologen en psychiaters zijn geweest die zich met het afgeven van deskundigenverklaringen bezighielden. Hun ervaringen met de wet hadden toch ook in de afweging moeten worden betrokken. De onderzoeker legt hierover nergens verantwoording af, terwijl het evident is dat zo’n aantal (N=3) geen enkele representativiteit kan opleveren.

Welke vragen zijn gesteld staat ook niet in het onderzoek, evenmin hoe er precies op is geantwoord. De onderzoeker geeft de volgende samenvatting van het standpunt van de drie geïnterviewde deskundigen: 

“Hieraan kan worden toegevoegd dat ook de deskundigen zelf enigszins ambivalent zijn over het nut van de deskundigenverklaring voor zover het gaat om volwassenen. Hun deskundigheid ligt op het terrein van genderdysforie en die diagnose is nu juist geen aspect waarop afgifte van de verklaring wordt gebaseerd. De deskundigen kunnen vaststellen of mensen begrijpen wat hun wordt verteld over de gevolgen van hun keuzes. Zij kunnen ook vaststellen of er redenen zijn om te twijfelen aan de overtuiging van degene die de verklaring aanvraagt. Zij kunnen echter geen garanties geven over de duurzaamheid van die overtuiging, omdat genderdysforie ook een wisselende identiteit kan mee brengen" (p. 25). 

    Op pagina 55 blijkt dat slechts één van de drie ondervraagde deskundige van mening is “dat het onmogelijk is om te bepalen of een ‘duurzame overtuiging’ ook werkelijk blijvend is.” Er kan immers sprake zijn van “fluïditeit op het genderspectrum.” Wat de andere twee deskundigen hiervan vinden weten we niet. 

Wel dat ze (twee van de drie?) ook voordelen zien: “Als voordelen van de verklaring wordt gezien dat het mensen helpt bij het nemen van een belangrijke beslissing; de voorwaarde bouwt als het ware een zekere voorzichtigheid in.”

    Gevraagd per e-mail (23 maart 2022) naar een toelichting antwoordde onderzoeker Van den Brink: “Over de ambivalentie: als ik mij goed herinner waren ze het min of meer (niet allemaal in exact dezelfde mate) eens dat de verklaring maar beperkt nut had. Het is immers geen diagnose.”

In een gesprekje kun je geen verantwoorde diagnose stellen, dat is eigenlijk wat deze deskundigen zeggen. Maar wat betekent dat? Hebben zij wellicht gepleit voor een veel grondiger traject, om wel een echte diagnose te kunnen stellen voor je iemands geboortebewijs aanpast? Niet denkbeeldig, want de genderteams blijken momenteel wel degelijk de diagnose genderdysforie als voorwaarde te gebruiken voor het tekenen van de deskundigenverklaring, terwijl dat eigenlijk niet eens nodig is. 

    Maar we zullen het nooit weten, want zoals gezegd, wat in die gesprekken precies gevraagd is, staat niet in het onderzoek, en daar is ook niet meer achter te komen, want zoals de onderzoekster schrijft: 

“Naar aanleiding van uw herhaalde verzoek om onderzoeksgegevens te verstrekken die wij destijds verzamelden in verband met de evaluatie van de Transwet, moet ik u meedelen dat wij u deze informatie niet mogen verstrekken, voor zover dat al mogelijk zou zijn gelet op de AVG.” (E-mail 30 maart 2022). 

    Alsof het openbaar maken van de gestelde vragen enigerlei inbreuk op welke privacy dan ook zou betekenen, en alsof de antwoorden op die vragen niet zodanig geanonimiseerd zouden kunnen worden dat de hele AVG er niets mee te maken heeft.

    Voor een dergelijk belangrijk onderzoek, bepalend voor belangrijke nieuwe wetgeving, zijn dus slechts drie deskundigen geïnterviewd, die het onderling niet met elkaar eens waren en die enigszins twijfelden over het nut van zo’n verklaring omdat het geen diagnose is. Dat deze deskundigen van mening zijn dat die verklaring daarom maar moet worden afgeschaft, zoals COC, TNN en andere voorstanders van deze wet beweren, staat in dit onderzoek nergens te lezen. Zij waren het er min of meer over eens dat de verklaring een beperkt nut had. 

    Dat is wel even heel iets anders dan wat deze woordvoerders nu beweren. En, kwalijker nog, wat in de Memorie van Toelichting bij deze wet valt te lezen. Nog afgezien van de vraag waarom zijn er niet veel meer psychologen, psychiaters en medici geïnterviewd die zich met de transzorg bezighouden? 

 

Ambtenaren positief over deskundigenverklaring

    Opmerkelijk genoeg zijn er wel veel ambtenaren geïnterviewd, zowel persoonlijk (vijf mensen) als via een online enquête onder 57 ambtenaren burgerzaken. Het onderzoeksrapport geeft geen informatie over de kwaliteit van deze steekproef die duidelijk gebaseerd was op zelfselectie. Onbekend is ook de omvang van de populatie: hoeveel procent van het totaal aantal ambtenaren burgerzaken heeft de enquête ingevuld? Onderzoeker Marjolein van den Brink antwoord op mijn vragen over deze steekproef: 

    “Ik kan het woord steekproef niet terugvinden in onze evaluatie, en begrijp niet goed waar u op doelt.” (E-mail 23 maart 2022). Van den Brink heeft duidelijk geen kaas gegeten van enquêtes met steekproeven. Dan de resultaten van deze enquête met vijftien vragen waaronder vier vragen over het afschaffen van de deskundigenverklaring. Het merkwaardige is dat het rapport geen tabellen geeft met percentages van antwoorden op deze vragen (vaak met antwoordcategorieën: “ja/nee/weet niet’). Wel vermeldt de auteur af en toe tamelijk willekeurig een paar getallen zoals deze:

    “Ambtenaren van de burgerlijke stand waren eveneens overwegend positief over hun ervaringen met de wet (de wet uit 2014/PV). Van de 47 ambtenaren die deze vraag beantwoordden, noemden er slechts twee een onduidelijkheid” (p. 53). 

    “Van de verschillende geraadpleegde groepen beoordelen ambtenaren burgerzaken de deskundigenverklaring het vaakst als waardevol. Bijna 75% van de ambtenaren meent dat de verklaring een drempel opwerpt tegen frauduleuze en ondoordachte wijzigingen” (p. 54).

    Helaas komen we er niet achter wat de 57 ambtenaren hebben geantwoord op al die andere vragen zoals bijvoorbeeld: “Voorziet u problemen – bijvoorbeeld juridisch of administratief, maar anders dan fraude of misbruik – als de deskundigenverklaring als voorwaarde voor geslachtswijziging zou worden afgeschaft?” (p. 109). Maar de conclusie van Marjolein van den Brink is helder: “Ambtenaren van de burgerlijke stand zijn tevreden over de werking van de wet en de meesten van hen menen dat de deskundigenverklaring nuttig is” (p. 40).

    Dus de genderdeskundigen zijn ambivalent en de uitvoerders van de huidige wet, de ambtenaren, zijn er eigenlijk heel tevreden mee. Toch worden ze als medestanders meegenomen in de “aanzienlijke consensus” over het afschaffen van de deskundigenverklaring. 

 

De overige enquêtes en interviews

    Er is met dit evaluatieonderzoek nog veel meer mis. Naast de eerder genoemde enquête onder ambtenaren burgerzaken zijn er nog drie enquêtes gehouden: een online enquête onder transgender kinderen en jongeren tot 26 jaar via TNN met 177 respondenten, een schriftelijke enquête verspreid op de ‘Buiten de Binary Dag’ op 14 oktober 2017 in Nijmegen met 9 respondenten en een korte online enquête, al eerder uitgezet door TNN over de evaluatie van de transgenderwet met 97 respondenten.  

 

Steekproeven

    Wat daarbij opvalt is natuurlijk dat er bij deze vier enquêtes duidelijk sprake is van steekproeven die gebaseerd zijn op zelfselectie, waarbij een definitie en de omvang van de populatie ontbreekt. Drie steekproeven zijn tot stand gekomen via een belangenorganisatie, namelijk Transgender Netwerk Nederland. Eén enquête was zelfs al uitgevoerd voor het evaluatieonderzoek begon. 

    Dat doet wetenschappelijk gezien uiteraard afbreuk aan de generaliseerbaarheid van de resultaten. Het geeft een belanghebbende organisatie een grote invloed op de uitkomsten. Bovendien is een enquête met 9 respondenten wetenschappelijk natuurlijk niet serieus te nemen. 

 

Vragenlijsten

    Het is opvallend dat de vragenlijsten voor de vier enquêtes weinig overeenkomsten vertonen. Terwijl de ambtenaren vragenlijst vier vragen bevat over de deskundigenverklaring komt deze niet expliciet voor in de jongerenenquête en ook niet in de TNN-enquête. Die laatste bestaat overigens maar uit twee open vragen (“1. Jouw ervaring met de transgenderwet, 2. Jouw verbeterpunten voor de transgenderwet”). 

    Bij de jongeren was er één vraag die misschien aanleiding is om de deskundigenverklaring te noemen (“12. Wat vond je van de procedure om je officiële geslacht te veranderen?”). Van den Brink geeft dan ook aan dat het bij deze enquête niet specifiek ging over de deskundigenverklaring: “Daarbij kan worden aangetekend dat deze enquête vooral was gericht op het verzamelen van ervaringen met en ideeën over de leeftijdsgrens en niet zo zeer over de verklaring” (p.56). 

    Uiteraard zijn specifieke vragenlijsten voor specifieke doelgroepen nodig, maar deze vragenlijsten zijn zo verschillend dat een vergelijking van de resultaten moeilijk is. Zeker als bepaalde vragen niet expliciet zijn gesteld.

 

Ontbrekende tabellen en percentages 

    Daarnaast valt vooral op dat de resultaten van de enquêtes niet systematisch worden weergegeven in tabellen met aantallen en percentages. De onderzoeker noemt hier en daar tamelijk willekeurig enkele getallen uit de enquêtes maar vertelt niet wat de antwoorden waren op andere vragen. 

    Een voorbeeld: “Ook veel jongeren rapporteerden positieve ervaringen met de wet (28 van de 70 die hun juridisch geslacht hadden veranderd; 14 zeiden expliciet tevreden te zijn over de gemeente, en drie noemden het verdwijnen van de medische aanpassing positief)” (p. 53). Bij de enquête onder jongeren gaat het om 27 vragen, waarvan de meeste met gesloten antwoordcategorieën, die makkelijk in tabellen zijn weer te geven.

    Een ander voorbeeld (p. 56): “Alle betrokken organisaties, TNN, Transvisie, COC en NNID en diverse transgender respondenten wijzen de deskundigenverklaring af (TNN-enquête 16, ouders 2, Nijmeegse enquête 3 terwijl 5 zeggen ‘het graag anders te zien’).” 

    Het valt door deze achteloze manier van weergeven (‘diverse respondenten’) nauwelijks op, maar bij de TNN-enquête wijzen 16 van 97 respondenten de verklaring af (16,4%), bij de ouders van transgender kinderen 2 van de 13 (15%) en bij de Nijmeegse enquête 3 van de 9 (33%). Dat is niet bepaald een meerderheid maar toch concludeert de onderzoeker dat er “brede consensus” is. Over de meerderheid van de respondenten die de verklaring kennelijk niet afwijst komen we verder niets te weten. De enquête onder transgender kinderen en jongvolwassenen (N=177) ontbreekt hier omdat daarin niet expliciet is gevraagd naar de deskundigenverklaring. 

    Door op deze manier heel selectief enkele resultaten weer te geven, blijft onduidelijk wat de respondenten geantwoord hebben op alle andere vragen. Enige controle op de weergave van de resultaten is lastig omdat de volledige tabellen ontbreken. Dat de pleitbezorgers van de nieuwe wet dit presenteren als ‘wetenschappelijk onderzoek’ is nogal misleidend. Het is eerder een eerste terreinverkenning, zonder veel diepgang.  

 

Het onderzoek in het buitenland.

    Er is gesproken met vertegenwoordigers van belangenorganisaties en overheidsorganisaties in vier landen, Argentinië, Ierland, Malta en Noorwegen waar al eerder geslachtswijziging op basis van een eigen verklaring is ingevoerd. Daarbij is vooral gekeken naar fraude en naar ondoordachte of oneigenlijke wijzigingen van het juridisch geslacht. Daar zijn geen problemen uit naar voren gekomen. Met de aantekening dat in 2017 in drie van vier landen de wetswijziging pas net was ingevoerd (in 2015 en 2016), en dat er alleen in Argentinië (2012) al enige jaren ervaring was opgedaan met een nieuwe wet. 

    Maar ook hier geldt dat het vooral ging om uitvoerbaarheid en identiteitsfraude en niet om de maatschappelijke gevolgen van de wet die momenteel in die landen discussie opleveren. Zoals in Noorwegen waar inmiddels rechtszaken zijn gevoerd over trans vrouwen in vrouwenkleedkamers. Ook in Ierland is de afgelopen jaren discussie over het overplaatsen van trans vrouwen naar vrouwengevangenissen. 

    Dit deel van het evaluatieonderzoek wordt in discussies over de nieuwe transgenderwet ook vaak aangehaald om te ‘bewijzen’ dat deze niet leidt tot veiligheidsrisico’s voor vrouwen in bijvoorbeeld kleedkamers of vrouwengevangenissen. Zo schrijven drie woordvoerders van belangenorganisaties in een opiniestuk in de Volkskrant:

    “De door Sommer geschetste problemen zijn helemaal niet aan de orde in landen als Noorwegen en Malta, waar de deskundigenverklaring al is afgeschaft, zo blijkt uit een wetenschappelijk onderzoek in opdracht van de regering.” Maar die risico’s zijn dus helemaal niet onderzocht door Van den Brink. 


Tot slot. 

    Het is duidelijk dat Minister Dekker zich met dit gebrekkige onderzoek om de tuin heeft laten leiden. Dat er ‘brede consensus’ zou bestaan over het afschaffen van de deskundigenverklaring, wordt door dit onderzoek helemaal niet aangetoond. De ambtenaren zijn positief over die verklaring, de experts zijn er ambivalent over, de ouders van jonge transgenders zijn er niet uitgesproken tegen, en zelfs de meerderheid van de bezoekers van de TNN website is dat niet, alleen de belangenorganisaties zijn dat uiteraard wel. 

    Het is verbazingwekkend, dat in Nederland bestaande wetten op deze ondeugdelijke wijze worden geëvalueerd en dat op basis daarvan nieuwe wetgeving wordt aanbevolen. Wetgeving die serieuze risico's met zich meebrengt, risico's die in dit onderzoek nauwelijks aan bod komen. Het is uiterst zorgelijk dat onze volksvertegenwoordiging haar besluitvorming baseert op misleidende, eenzijdige informatie van stakeholders, zonder gedegen, objectief wetenschappelijk onderzoek waarin alle relevante aspecten aan bod komen. 


Gepubliceerd op: www.vasterman.nl 

7 mei 2022.