woensdag 29 augustus 2001

Mediakokbacterie

de Volkskrant, 29 augustus 2001

Wim Wirtz

Incest groeide uit tot een mediahype. De meningokokkenziekte ook. Het is een vast patroon: incidenten worden opgeblazen tot gebeurtenissen van nationale omvang. 'Het heeft te maken met de werking van het nieuws.'

IS de meningokokkenziekte een mediahype?

'Het is een klassiek voorbeeld van een mediahype', zegt Peter Vasterman, docent massacommunicatie aan de Hogeschool Utrecht en kenner van mediahypes, waarop hij volgend jaar wil promoveren. 'Je ziet in dit soort gevallen steeds hetzelfde patroon: geisoleerde gevallen worden gezien als een cluster, en dat is dan al gauw een epidemie.'

Een epidemie werd het niet genoemd, maar het leek er wel op. Na de eerste melding van twee dodelijke slachtoffers in het Brabantse Zevenbergen, een meisje en een jongen van elf, en een drietal besmettingsgevallen in de buurt stortten de media zich boven op de meningokokbacterie. Een medewerker van de GGD gaf toe dat het wel opvallend was, zoveel meningokokinfecties van de gevaarlijke C-bacterie in zo korte tijd in dezelfde regio. Drie dagen later maakte de onrust zich meester van de West-Brabantse bevolking toen de media melding maakten van een derde dodelijk slachtoffer, niet ver van Zevenbergen: een 23-jarige vrouw uit Etten-Leur. Een dag later volgde een eenjarig kind in Leeuwarden, medio augustus een 32-jarige man in het Noord-Hollandse Asssendelft, en vorige week een baby van zes maanden in Venlo. De berichtgeving in kranten, op radio en tv over nieuwe gevallen van besmetting hield aan, tot begin deze week.

De GGD in West-Brabant besloot al vrij snel tot vaccinatie over te gaan bij kinderen in Zevenbergen en Klundert. De GGD in Noord-Limburg hield de boot af, net als de landelijk inspecteur voor de gezondheidszorg, die het nog niet nodig vond om de anti-meningokokprik in het rijksvaccinatieplan op te nemen.

In de media werd aan de verschijningsvormen van de meningokokkenziekte uitgebreid aandacht besteed. Deskundigen kwamen aan het woord om de symptomen te beschrijven en uitleg te geven over de verschillende typen meningokokbacterien B en C, en het al jaren stabiele aantal doden van zestig per jaar. 'Wij waren wel blij met die verhalen', zegt voorzitter Wilma Witkamp van de Nederlandse Meningitis Stichting, die voorlichting geeft over alles wat met meningokokbesmettingen te maken heeft. 'Aan de andere kant werd het allemaal wel gebracht alsof er sprake was van een ramp. Dat werkte eraan mee dat er onrust ontstond, en paniek. Wij zijn ook platgebeld en -gemaild door bezorgde ouders.'

Het patroon bij een mediahype is vaak hetzelfde: incidenten die dezelfde kenmerken dragen, worden opgeklopt tot een verschijnsel van nationale omvang. Dat gebeurde na enkele gevallen van zinloos geweld (Tjoelker, Kloppenborg). En het gebeurde ook na berichten over seksueel misbruik in Maurik en Oude Pekela. In die zaken verlegden de media hun aandacht van incest binnen het gezin naar gevallen van grootschalig seksueel misbruik, gedwongen abortussen, kinderporno, en misbruik in kerken, inrichtingen, de sportwereld en op scholen.

SOMMIGE hyperventilerende kranten, radio- en televisierubrieken bliezen zaken van seksueel geweld buitenproportioneel op. En zo ontstond een mediahype. Vasterman zag het van nabij gebeuren. In 1988 deed hij onderzoek naar vijf jaar berichtgeving over incest. 'En toen was ik nog zo naief om te veronderstellen dat die enorme golf van publiciteit over dit onderwerp na die vijf jaar wel zou gaan afnemen', zei hij eind vorig jaar. Het tegendeel was het geval. Vasterman zag hoe incest binnen het gezin in de berichtgeving een eindeloze reeks vertakkingen kreeg in allerlei varianten van misbruik. Het was een vast patroon: de ontdekking van weer een nieuwe vertakking, weer een nieuw probleem, leidde tot een geconcentreerde nieuwsgolf. Uitgebreide reportages verschenen op tv, grote stukken kwamen in de krant. Telkens doken nieuwe gevallen op. En opeens leek het probleem op veel grotere schaal voor te komen dan menigeen had kunnen bedenken.

Het leverde volgens Vasterman een overspannen beeld op. Daarna verdween het alsof het nooit had bestaan. 'De media schetsen op het ene moment een zeer overspannen beeld rond pedoseksualiteit, kindermoorden of ontucht op scholen, maar melden het volgende moment niet meer hoe het verder gaat en of de problemen toe- dan wel afnemen. Dat gaat ten koste van de geloofwaardigheid van de media', was zijn stelling.

In het geval van de meningokokkenziekte begon de mediahype al meteen na de eerste dodelijke slachtoffers. De suggestie van een epidemie diende zich aan. De media wendden zich massaal tot de deskundigen om uitleg te vragen over bacterien en vaccins. Het Nederlands Referentielaboratium voor Bacteriele Meningitis, onderdeel van het AMC in Amsterdam, werd dikwijls gebeld. Johan Kortenraay, hoofd voorlichting van het AMC, vond het 'ook niet verkeerd', al die uitlegverhalen over de meningokokkenziekte. 'Maar wat je vervolgens ziet is dat er een zwiep in de nieuwsstroom ontstaat en dat die uitmondt in een hype met bijna elke dag korte berichten, vooral op de radio en tv. Er zijn zeshonderd gevallen van een meningokokinfectie per jaar. Dat is anderhalf geval per dag, en elf per week. Dat is een heel stabiel patroon, al twintig jaar lang. Als je wilt zou je dus elke dag wel melding kunnen maken van een besmettingsgeval. Maar dat is overdreven.'

'Je ziet een vast patroon in de berichtgeving', zegt Kortenraay. 'Er wordt melding gemaakt van een infectie, het vermoeden wordt uitgesproken dat het om een meningokokbacterie gaat, dat wordt vervolgens bevestigd, en dan wordt elk nieuw geval door de media gemeld. Op een bepaald moment wordt de indruk gewekt dat er sprake is van een epidemie, terwijl dat niet zo is. Ik noem dat het vliegtuigvirus: zodra er een vliegtuig is neergestort, zie je overal berichten opduiken over neergestorte vliegtuigen. Dat versterkt de onrust.'

'HET DEED mij denken aan een mediahype in Engeland, in 1994-1995, rond een vleesetende bacterie - een streptokokbacterie waarmee je bij wijze van spreken je schoonmoeder kon laten opeten', zegt Vasterman. 'De situatie in Engeland is natuurlijk een andere dan in Nederland. Je hebt daar vrij veel sensatietabloids, die er ook meteen groot mee uitpakten: de killer bacteria. Die bacterie was niet nieuw, maar niettemin ontstond er een volstrekte hysterie in de media en vervolgens bij het publiek.

'Het heeft te maken met de werking van het nieuws. Zo'n onderwerp leidt tot een nieuwsthema, en alles wat ermee te maken heeft, krijgt dan aandacht. Oude gevallen worden onderzocht en naar voren gehaald, en in combinatie met nieuwe gevallen van besmetting versterkt dat de idee dat er sprake is van een epidemie. Dat wekt onrust. Lezers en kijkers raken de context kwijt. En gaan het risico enorm overschatten.' De huisartsen in Engeland merkten het onmiddellijk. Hun patientenbezoek nam drastisch toe en hun wachtkamers stroomden vol.

De concurrentie tussen de media is groot, want er zijn veel media. En alle media willen zich onderscheiden. 'Bij zo'n onderwerp als de meningokokkenziekte vraagt iedereen zich af of er een nieuwe invalshoek te bedenken valt, en of er nog nieuwe bronnen kunnen worden bedacht om te raadplegen', zegt Vasterman. 'Het positieve daarvan is dat problemen goed worden uitgezocht en dat zo'n onderzoek nieuwe feiten boven water kan halen. Het negatieve aspect is dat het tot een enorme overschatting kan leiden van het verschijnsel en van de risico's. Dat gebeurt heel vaak bij risico-onderwerpen. Je ziet het bijvoorbeeld ook bij genetische modificatie en DNA-onderzoek. Er is een soort overgang in de berichtgeving: eerst worden de risico's en de context geschetst, daarna krijg je de nieuwsverslaggeving, en daarin gaan dingen een eigen leven leiden. Dat zou eens moeten worden onderzocht: hoe die processen van berichtgeving en van daaropvolgende onrust samenhangen.'


donderdag 11 januari 2001

Volendam: de ramp als media blockbuster

Peter Vasterman

Gepubliceerd in Vrij Nederland 11 januari 2001

Ze stonden er allemaal in Volendam, met camera of notitieblok. Zodra tegenwoordig een ramp heeft plaatsgevonden, ontwikkelt zich in rap tempo een gigantische nieuwsgolf die dagen of soms zelfs weken kan duren. In de eerste dagen staan de schijnwerpers langdurig gericht op de rampplek zelf; de schok van de ramp zorgt immers voor een grote nieuwshonger bij het publiek en nieuwsuitzendingen kunnen dan ook rekenen op een hoge kijkdichtheid. Meteen daarna valt de berichtgeving uiteen in verschillende nieuwsstromen: naast de talloze verhalen en reportages over het leed, de emotie en de ellende, verschijnt er steeds meer over de oorzaken van de ramp en daarmee over de schuldvraag.

Over Volendam konden we de eerste vijf dagen na de ramp in de zes landelijke dagbladen gemiddeld twaalf artikelen per dag lezen. (Zie grafieken) Dat zijn er meer dan over de Bijlmerramp: daar telde ik in de eerste zes dagen na de ramp gemiddeld elf artikelen per dagblad per dag. De vuurwerkexplosie in Enschede zorgde de eerste week dagelijks voor 26 artikelen per landelijk dagblad; tweeëneenhalf keer zoveel als over de Bijlmer. De media-aandacht meteen na een ramp is dus enorm, en creëert een grote druk op journalisten om nóg meer te melden. Maar doorgaans is er al de eerste dagen na een ramp niet veel nieuws meer: wat bekend is, is inmiddels al vaak herhaald, terwijl de onbeantwoorde vragen voorlopig onbeantwoord zullen blijven. Die situatie zorgt meestal voor een sterke concentratie op het leed. Bovendien ontstaat er een goede voedingsbodem voor speculaties en geruchten, vooral als de overheden zich terughoudend opstellen en er enkel flarden informatie beschikbaar zijn.



Het grote verschil met de rampen in Enschede en de Bijlmer is dat in Volendam in de eerste dagen al duidelijk werd hoeveel doden en gewonden er waren, welke oorzaak de brand had, en wie daar verantwoordelijk voor waren. De rest van de week werden vooral de details ingekleurd rond de afgestoken sterretjes, de vergunningen en het getrouwtrek tussen gemeente en cafébaas. Bij zowel de Bijlmer als Enschede bestond grote onduidelijkheid over de oorzaken van de ramp. Dat leverde veel goed journalistiek onderzoek op, maar zorgde ook voor speculatie en geruchtenvorming.

Een tweede verschil is dat Volendam als ramp veel minder 'mediageniek' was dan Enschede en de Bijlmer. Echt schokkende beelden ontbraken: de brand was in een flits voorbij, de rampplek werd snel afgegrendeld en er was niet veel meer te zien dan hulpverleners en ingepakte slachtoffers op brancards, een gele tent en een file ambulances. De gewonden die naar ziekenhuizen werden afgevoerd, bleven buiten het bereik van de cameraploegen. Bij gebrek aan beter werden de twee uitgebrande puntgevels op de dijk dan ook het media-icoon van deze ramp.

Dat Volendam desondanks zoveel nieuws opleverde, heeft te maken met de veranderde werkwijze van de media. Een ramp vormt tegenwoordig materiaal voor een echte blockbuster, zoals de Amerikanen dat noemen. Een groot, goed lopend verhaal dat eindeloos uitgesponnen kan worden. Als een verhaal eenmaal groot is neergezet, is het veel makkelijker om de aandacht van het publiek daarna nog lang vast te houden. Maar als nieuwe feiten of ontwikkelingen op zich laten wachten, zullen de media - opgejaagd door onderlinge concurrentie - zelf allerlei nieuwe lijnen rond de ramp moeten gaan ontwikkelen. En dus stortten sommige redacties zich op de traumaverwerking binnen de 'hechte Volendamse gemeenschap', focusten andere op de risico's van synthetische feestkleding, het niet naleven van brandvoorschriften of de leeftijdsgrenzen voor jonge cafébezoekers. Dat de link met de ramp soms wel erg discutabel was (zouden er minder slachtoffers zijn gevallen als ze ouder dan zestien jaar waren geweest?) of op zijn minst prematuur (het staat nog niet vast dat kunststoffen gevaarlijker zijn dan andere), leek er niet zoveel toe te doen. Politici riepen onder druk van de media om nieuwe voorschriften, en ook dat was weer nieuws.

Op die manier kan de brand leiden tot een niet aflatende stroom berichten over allerlei onderwerpen die plotseling tot actualiteit zijn verheven. Met een verborgen camera trekken tv-reporters het nachtleven in om undercover operaties uit te voeren en onvermoede misstanden aan de kaak te stellen. En anders is er nog wel het politieke schandaal: gaan er koppen rollen? Proberen autoriteiten of overheidsdiensten elkaar de zwarte piet toe te spelen? Het nieuws dat BW in Volendam waarschijnlijk binnen afzienbare tijd zullen aftreden en dat het openbaar ministerie een strafrechtelijk onderzoek begint tegen de eigenaar, haalde er wat dat betreft een beetje de angel uit voor de media. De nieuwsstroom over Volendam zou wel eens snel kunnen opdrogen, omdat er niet genoeg spannende plots overblijven.




Met de herinnering aan de overkill rond Enschede in het achterhoofd kwam vorige week een discussie over de huidige rampenverslaggeving op gang. De journalistiek zelf lijkt tevreden terug te blikken op Volendam: geen sensatiezucht, geen grote blunders, geen stalking rond slachtoffers. 'Een realistische verslaglegging zonder inbreuk op goede smaak en integriteit blijkt te kunnen,' concludeert de ombudsman van de Volkskrant ("Verslagen Volendam integer."). En NRC Handelsblad ("Elke ramp een kleine nieuws-hype.") houdt het op een retorische vraag: 'Maar of de media zijn doorgeschoten naar sensatieverhalen en "rampverslaafd" zijn geraakt, zoals deze week wel werd gesuggereerd? Zelfs De Telegraaf was in haar berichtgeving over Volendam terughoudend.' Hebben journalisten geleerd van Enschede? Ik denk het niet. De mediagolven worden juist steeds groter, net zoals de druk om zelf nieuws te maken. Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken wat er zal gebeuren bij een volgende ramp die wel visueel aantrekkelijk is, die zich over een langere periode afspeelt, waarbij grote aantallen slachtoffers bereikbaar zijn voor de media en vooral ook: waarbij er mysteries blijven hangen rond de oorzaak en de schuldigen. Dat de berichtgeving deze keer niet is ontploft, is te danken aan de aard van de ramp, de duidelijkheid over de oorzaken en wie daarvoor verantwoordelijk waren, het afschermen van slachtoffers in ziekenhuizen en de professionele aanpak van het crisisteam. En - de tevredenheid bij de Volkskrant en NRC Handelsblad ten spijt - niet aan de veranderde werkwijze van de media.

donderdag 14 december 2000

Zijn de media verantwoordelijk voor een overspannen beeld rond seksueel misbruik?



Stelling en inleiding t.g.v. van de uitreiking van de TransAct mediaprijs voor berichtgeving op gebied van seksueel geweld. De Balie Amsterdam, 14 december 2000.

Peter Vasterman.



Stelling: "de media schetsen op het ene moment een zeer overspannen beeld rond pedoseksualiteit, kindermoorden of ontucht op scholen, maar melden het volgende moment niet meer hoe het verder gaat en of de problemen toe- dan wel afnemen. Dat gaat ten koste van de geloofwaardigheid van de media."


zaterdag 14 oktober 2000

Publieke opinie speelbal van bloedbaden

DAGBLAD VAN HET NOORDEN

14 oktober 2000 

GPD Monique Brandt

Amsterdam - De schokkende tv-beelden van Israëlische soldaten die werden gelyncht door Palestijnen, staan vermoedelijk nog menig tv- kijker op het netvlies gegrift. Te meer daar het lijkt alsof er geen binnen- dan wel buitenlandse nieuwsrubriek is die de beelden niét tot in den treure op het scherm brengt.

De beelden hebben de publieke opinie over het steeds heviger oplopende conflict in het Midden-Oosten beslist beïnvloed. Dit nadat de Palestijnse zaak begin oktober aan 'sympathie' leek te winnen door de gruwelijke beelden van een twaalfjarig jongetje dat, ondanks de beschermingspogingen van zijn vader, werd doorzeefd door Israëlische kogels. De hoogst dramatische beelden werden in de gehele wereld beschouwd als symbolisch voor het Palestijnse leed. En iedereen leed mee. Maar het lynchen van de soldaten lijkt een deel van de internationale opinie weer pro-Israël te hebben verlegd.

Opinievorming

Tv-beelden beïnvloeden steeds vaker de opinievorming over gewapende conflicten, waar ook ter wereld, constateert Peter Vasterman, publicist en docent Massacommunicatie aan de School voor de Journalistiek in Utrecht. Vasterman heeft het boek 'De context van het nieuws' op zijn naam staan, en doet onderzoek naar mediahypes. Volgens Vas terman zorgen met name de eindeloze herhalingen van bepaalde, sterke beelden ervoor dat ze iconen worden die symbool staan voor een bepaald conflict. "Die iconen kunnen er soms voor zorgen dat de publieke opinie zo sterk wordt beïnvloed, dat het leidt tot een doorbraak."

Als voorbeelden noemt hij de beroemde Vietnam-foto waar- in een naakt meisje overdekt met brandwonden over de weg rent na een napalm-bombardement. Of de uit de jaren tachtig stammende beelden uit Somalië van het lijk van een Amerikaanse soldaat dat door de straten werd gesleept. Het was het sein voor de Amerikanen om zich uit dat land terug te trekken.

Volgens Vasterman zijn zulke heldere, eenduidig te interpreteren beelden voor de gewone consument een uitkomst in een tijd van overdaad aan nieuwsbeelden en nieuwsverhalen. Het is immers niet altijd even makkelijk de waarheid te destilleren uit het immense aanbod.

"Er is sprake van een ware medialawine. Daarbij zijn de conflicten vaak zeer ingewikkeld. Tien jaar geleden deden we het met één journaal en een paar nieuwsrubrieken waarbij de context veel meer centraal stond. Nu is het nieuws veel vluchtiger geworden: het wereldnieuws in één minuut. Een sterk beeld brengt een conflict terug tot de menselijke essentie, het maakt een conflict overzichtelijker."

TV-beelden

Volgens de deskundige is de toenemende invloed van nieuwswaardige beelden op de opinievorming overigens geen gunstige ontwikkeling. Tv- beelden maken soms hun eigen werkelijkheid. "Ze kunnen zeer bedrieglijk zijn. Een foto of een beeld van een bepaalde situatie is slechts een uitsnede. Je weet niet wat er voor is gebeurd, of wat er nog gaat gebeuren. De context ontbreekt. En die is juist belangrijk om een conflict te begrijpen, zeker als het gaat om vragen als: geven we een land militaire steun of juist niet? Grijpen we in, of niet?"

Vasterman vindt dat nieuwsmakers zich niet altijd even goed bewust zijn van de macht van het beeld.

"Veel in Israël aanwezige journalisten zijn zelf van Israëlische afkomst of joods, en hebben sympathie voor Israël. Dat uit zich niet overduidelijk, maar je merkt het wel.

Zo worden gevechten vrijwel altijd gefilmd vanaf de Israëlische kant. Als je als kijker zo'n groep stenen gooiende Palestijnen op je af ziet komen, is dat echt indrukwekkend. Ook zie je haast nooit Palestijnse woordvoerders op de buis. Nu zijn die er misschien ook niet zoveel, maar journalisten zou den wel meer moeite kunnen doen om ook de andere kant te belichten."




dinsdag 19 september 2000

De vonk, de ontbranding en het aanjagen van het vuur. Media en maatschappelijke verontwaardiging

Peter Vasterman, De vonk, de ontbranding en het aanjagen van het vuur. Media en maatschappelijke verontwaardiging. 


zaterdag 19 augustus 2000

'Mediahype verdwenen kinderen onterecht'

DAGBLAD VAN HET NOORDEN

18 augustus 2000. 

ANP


de mensen. En die sensatiezucht bestaat nu eenmaal." (anp)

Utrecht - De forse belangstelling van media voor verdwenen kinderen staat niet in verhouding tot de werkelijke nieuwswaarde. Dat zegt socioloog en mediadeskundige P. Vasterman. Volgens Vasterman maken sommige media onvoldoende hun verantwoordelijkheid waar om nieuws binnen de relevante context te brengen. Hype is mogelijk een te groot woord, maar dat nieuws in forse golfbewegingen over net- en trommelvlies komt, staat volgens Vasterman vast. De moord op Maartje Pieck leidde tot een grote belangstelling voor vergelijkbare nieuwsfeiten.

Reflexbeweging

"Dat is een reflexbeweging van de media", zegt Vasterman, die werkt aan een promotie-onderzoek over mediahypes aan de Amsterdamse universiteit. " Neem het voorbeeld van de 58 Chinezen in de vrachtwagen. Opeens zie je in de weken erna allerlei vrachtwagens opduiken met illegale immigranten. Je krijgt de indruk dat een stroom illegalen binnenkomt. Dat ebt in de maand erna weer weg. Niet dat minder mensen in vrachtwagens worden gevonden, maar de media vinden het dan wel weer genoeg geweest." De groei van het aantal infotainmentprogramma's zorgt voor een vruchtbare bodem voor mediahypes, denkt Vasterman. "Voor tv-programma's als Hart van Nederland en Vijf in het Land is dit aantrekkelijk. Het is menselijk, het is Nederland. Je kunt er gelijk een camerateam heensturen en je kunt het lekker aan de gang houden. De laatste update van de politiewoordvoerder, live, terwijl er eigenlijk niets te melden is." Bij voortdurende media-aandacht krijgen mensen het gevoel dat daadwerkelijk sprake is van een toename van, bijvoorbeeld, het aantal kindermoorden. Harde cijfers logenstraffen die indruk. "Er is helemaal geen plotselinge toename of afname. De vergelijkbare zaken worden door de media bij elkaar gebracht en dan wordt al snel geschreven over een golf. Onterecht. Daarmee creëren de media paniek en bezorgdheid. Journalisten moeten de context neerzetten, duidelijk maken wat de cijfers zijn. In journalistiek draait alles om relevantie. Als je alle details zonder echt nieuws gaat melden, is dat niet journalistiek relevant. Maar het is wel een tre

Bizar

De kindermoorden en verdwijningen voldoen volgens Vasterman aan de klassieke voorwaarden voor een kortstondige hype. "Je hebt een schokeffect nodig dat zo'n zaak neerzet. Iets bizars, een ongelooflijk verhaal. Als Privé schrijft: 'Zag Anton Pieck de moord op zijn kleindochter al aankomen?', is het dus aantrekkelijk geworden voor de media." Dat de stroom berichten over moord en doodslag in een behoefte voorziet, is volgens Vasterman een oud gegeven. " De belangstelling voor het sensationele is zo oud als het nieuws. De eerste kranten van vier eeuwen geleden stonden vol met gruwelijke zaken. Kijk maar naar tv. De meeste films hebben geweld, moord, seksueel misbruik als thema. Het prikkelt de sensatiezucht van

dinsdag 1 augustus 2000

Het is niet erger, we vinden het erger

Gepubliceerd in: Haarlems Dagblad
1 augustus 2000.


Agressie op werk treft een op de drie.

Een op tien heeft last van seksuele intimidatie in de werksfeer.

Het aantal meldingen van vermoedelijke affectieve of lichamelijke verwaarlozing is bijna verdubbeld.


Een ding is wel zeker: onze percepties, definities en waardeoordelen zijn in de laatste decennia ingrijpend veranderd.




De inmiddels gebruikelijke jaarlijkse toename van het aantal gevallen van kindermishandeling heeft dan ook meer te maken met een verruiming van het begrip kindermishandeling dan met een toename van geweld tegen kinderen.

In onze welvarende samenleving gaat het steeds meer om onzichtbare problemen, die alleen maar door onderzoek in kaart kunnen worden gebracht.
  
De opkomst van de 'risicosamenleving': we zijn langzamerhand in de ban geraakt van onzichtbare risico's waarover wij uitsluitend nog door de media worden geïnformeerd.

 Als we ons van dat proces bewust zijn en ons niet laten meeslepen door de bekende doemscenario's waarin het slachtofferschap overheerst.


Guerrilla op het werk

Voor veel kranten was het laatst voorpaginanieuws: "Guerrilla op de werkvloer." "Agressie op werk treft een op de drie." Volgens onderzoek in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een op de drie werknemers te maken gehad met geweld of verbale agressie op het werk, een op de zes wordt geconfronteerd met pesterijen, en een op tien heeft last van seksuele intimidatie in de werksfeer. In de media worden deze hoge cijfers die gebaseerd zijn op tamelijk ruime definities vaak gekoppeld aan extreme voorbeelden als het uitdrukken van peuken op de arm van het slachtoffer. Dat geeft het bericht extra nieuwswaarde, maar al die zeer lichte gevallen die ook meetellen in die statistieken blijft daardoor onduidelijk.

achter de façades van de BV Nederland

Achter de uit marmer en graniet opgetrokken façades van de BV Nederland met al die leaseauto's, tweede huizen, verre vakanties, veertiende maanden, lijkt één grote sociale ellende schuil te gaan. En dan hebben we hier alleen nog maar over de werkvloer. Een paar jaar geleden haalden vergelijkbare koppen de voorpagina's ("Miljoenen zijn slachtoffers geweld thuis.") toen een onderzoek van het ministerie van Justitie aantoonde dat bijna de helft (45 procent!) van alle Nederlanders ooit slachtoffer is geweest van huiselijk geweld. Bovendien neemt het aantal meldingen van kindermishandeling al jaren toe: in 1999, zo blijkt uit de jaarcijfers van de Advies- en meldpunten kindermishandeling, is het aantal meldingen van vermoedelijke affectieve of lichamelijke verwaarlozing bijna verdubbeld. En dan hebben we het nog niet eens over het meest besproken issue van de laatste jaren: zinloos geweld.

percepties, definities en waardeoordelen

Nederland is zo een land van contrasten, op het eerste gezicht een perfect georganiseerde samenleving, maar achter de schermen één groot gewelddadig slagveld met miljoenen slachtoffers. Toch is er iets merkwaardigs aan de hand, want in vergelijking met vroeger is de welvarende Nederlandse samenleving natuurlijk veel aangenamer, opener en vriendelijker dan vroeger met al die klasse- en standsverschillen. Het is dan ook zeer de vraag of Nederland wel zo veel gewelddadiger, pesteriger, agressiever, harder en wreder is geworden. Een ding is wel zeker: onze percepties, definities en waardeoordelen zijn in de laatste decennia ingrijpend veranderd. Veel van wat vroeger bijvoorbeeld onder een verantwoorde opvoedkundige aanpak viel, zowel thuis als op school, zou tegenwoordig zonder meer tot ernstige vormen van kindermishandeling worden gerekend. De inmiddels gebruikelijke jaarlijkse toename van het aantal gevallen van kindermishandeling heeft dan ook meer te maken met een verruiming van het begrip kindermishandeling dan met een toename van geweld tegen kinderen. Inmiddels valt volgens sommige deskundigen ook het onthouden van complimenten onder kindermishandeling omdat het kind daardoor geen positief zelfbeeld kan opbouwen.

historisch perspectief

Wat me dan ook stoort in de berichtgeving over dit soort sociale problemen is het ontbreken van enig historisch perspectief, want dat zou al die op 'één op drie' onderzoeken aardig kunnen relativeren. Als krantenlezer krijg je al snel de indruk dat het allemaal steeds erger wordt. Waar je dan niet bij stilstaat is dat zo'n sociaal probleem als pesten op het werk niet zomaar objectief gegeven is, maar dat er eerst een probleem van moet worden 'gemaakt': er liggen keuzes aan ten grondslag over wat er allemaal onder valt en hoe erg we dat vinden. Bovendien verliezen we uit het oog dat zo'n sociaal probleem een hele ontwikkeling gaat doormaken: het komt op de maatschappelijke agenda, er komen maatregelen, er wordt werk van gemaakt, er komen hulpverleners en deskundigen die zich met de aanpak gaan bezighouden.

verbreden van de definities

Dat leidt er doorgaans niet toe dat het probleem wordt opgelost, integendeel, omdat er meer werk van wordt gemaakt zullen er steeds meer gevallen boven water gaan komen. Het gevolg is dat we volgend jaar kunnen lezen dat net als bij kindermishandeling het aantal gevallen van pesten op het werk aanzienlijk is gestegen. De volgende stap is het geleidelijk verbreden van de definities: er zal steeds meer onder gaan vallen. De professionals van de instellingen die zich met de opvang bezighouden krijgen een gevestigd belang in 'hun' probleem en zullen steeds meer 'gevallen' onder dezelfde noemer gaan brengen. Daardoor breidt hun werkterrein zich steeds verder uit.

onzichtbare risico's

Ging het vroeger om direct zichtbare sociale problemen (krottenwijken), in onze welvarende samenleving gaat het steeds meer om onzichtbare problemen, die alleen maar door onderzoek in kaart kunnen worden gebracht. En dat geeft de onderzoekers, hulpverleners en professionals een grote invloed op de definiëring van het probleem. Sociologen spreken in dit verband wel eens over de opkomst van de 'risicosamenleving': we zijn langzamerhand in de ban geraakt van onzichtbare risico's waarover wij uitsluitend nog door de media worden geïnformeerd. En die media zorgen af en toe voor een enorme uitvergroting van een bepaald risisco zonder veel aandacht te schenken aan de historische context. Onherroepelijk gevolg: verontrusting bij het publiek.

steeds hogere eisen

Er zijn in Nederland veel minder grote sociale problemen dan vroeger &endash;denk alleen al aan mensonterende armoede- maar ons 'probleembewustzijn' is enorm toegenomen. Bevrijd van de dagelijkse strijd om het bestaan, gaan we telkens een stap verder en stellen we steeds hogere eisen aan onze leef- en werkomgeving. Daar is niets op tegen, tenminste als we ons van dat proces bewust zijn en ons niet laten meeslepen door de bekende doemscenario's waarin het slachtofferschap overheerst.



Peter Vasterman


Docent massacommunicatie aan de School voor Journalistiek in Utrecht.

zaterdag 15 juli 2000

'Golf van kindermoorden' is misvatting

de Volkskrant, 15 juli, 2000

Door: Toine Heijmans. 

Media hebben steeds meer aandacht voor persoonlijke drama's zoals dat van Maartje Pieck. Het aantal moorden op kinderen stijgt niet, zeggen experts.

Het aantal kindermoorden neemt niet toe, maar daalt. Evenmin stijgt het aantal meisjes dat werd omgebracht na seksueel misbruik. 'Met grote verbazing' hoort I. Vogels van de Divisie Centrale Recherche Informatie (CRI) hoe verschillende media een golf van kindermoorden suggereren. Terwijl de toedracht van de dood van Maartje Pieck (15) nog onbekend is, legde het NOS-Journaal donderdag meteen verband met een oplopend aantal tienermeisjes dat de dood vond na te zijn misbruikt.

'Onzin', zegt Vogels. 'Vorig jaar waren er drie gelijksoortige zaken waarin een meisje werd meegenomen en vermoord. Dat is inderdaad meer dan in 1998, want toen was het er een. De jaren daarvoor schommelde het tussen de nul en twee zaken; dat zijn geen cijfers waaruit je iets kunt afleiden. Van een trend is geen sprake.'

Ook het aantal kindermoorden is zo klein, dat er nauwelijks iets over valt te zeggen. Vanaf 1992 schommelde het rond de tien, met een opmerkelijke stijging in 1996 (21) en 1997 (24). Vorig jaar werden elf kinderen onder de zestien omgebracht, dit jaar zijn het er negen. De omstandigheden waaronder de moorden plaatshadden, verschillen zo, dat vergelijken vrijwel onmogelijk is. Soms zijn de kinderen om het leven gebracht door hun (stief)ouders, soms door een crimineel, soms blijft de toedracht voor altijd onduidelijk.

Vogels begrijpt de gretigheid van de pers wel. 'Sinds de dood van Sybine Jansons is er veel aandacht voor dit soort incidenten.' De namen van Marianne Vaatstra, Chanel-Naomi Eleveld en - recent, in Schiedam - Nienke Kneiss zijn in het collectieve Nederlandse geheugen gegrift. Elk spoortje nieuw bewijs, elke zoektocht, elke juridische splinter wordt uitgebreid belicht.

Zo ontstaat vanzelf de idee dat de meisjes iets met elkaar gemeen hebben, zegt socioloog P. Vasterman, die promoveert op mediahypes. 'Of dat waar is, doet er niet toe. Het gevoel dat er een golf is van tienermoorden, maakt zichzelf waar doordat alleen gezocht wordt naar bevestiging, en niet naar ontkenning. De schokkende gebeurtenis zelf is voor de meeste media het belangrijkste, daaromheen wordt vervolgens een constructie gebouwd die het belang ervan breder moet maken. Heel kleine, irrelevante zaken kunnen dan enorme aandacht krijgen. '

Ook de zaak-Maartje Pieck is een hype in aanbouw, denkt Vasterman. Een vreselijk, persoonlijk drama trekt altijd de aandacht, zeker in de nieuwsluwe zomer; vroeger voornamelijk bij de populaire media, tegenwoordig ook bij de traditioneel meer terughoudende, serieuze pers. Trouw bijvoorbeeld bracht vrijdag groot een dramatische reportage die het verdriet van Kampen tot onderwerp had. Persbureau ANP publiceerde een lijst van eerdere drama's onder de kop 'Nederland regelmatig opgeschrikt door kindermoord'.

Dat is gevaarlijk, zegt psychiater prof. F. Beyaert, omdat het mogelijke daders op een idee kan brengen. Beyaert was directeur van het Pieter Baan Centrum in Utrecht, waar daders worden onderzocht. Hij ziet duidelijk verband tussen media-aandacht en het plegen van een delict, en pleit voor terughoudendheid bij journalisten.

'Het zijn gruwelijke, opzienbarende incidenten - ik kan wel begrijpen dat daar sensatie omheen ontstaat, dat er nieuws vergaard moet worden. Maar al die aandacht is niet verstandig. Daders laten zich beïnvloeden door publiciteit, sommigen houden ervan in de belangstelling te staan. Veel aandacht maakt het erger.'

Beyaert hoopt op meer discussie op de redacties en een kritische blik van het publiek. Die discussie is er zeker, zegt Vasterman. 'De vraag wat je als journalist aan moet met dit soort onderwerpen was het issue van het afgelopen jaar.' Desondanks blijft het de trend meer aandacht te geven aan persoonlijke drama's . 'Ook de serieuze media moeten wel, vanwege de concurrentie.'

Vasterman wijst erop dat hypes verlopen via een golfbeweging, en dat ook deze tot bedaren zal komen. Op een gegeven moment is het onderwerp uitgeput, en wordt naar iets anders gezocht. 'Het is maar waar je de schijnwerpers op zet. Een paar jaar geleden ging het om ouders die hun kinderen hadden gedood. Dat aantal zou ook toenemen. Een verband is nooit aangetoond. Op een gegeven moment is dat onderwerp uitgeput. Nog steeds worden kinderen door hun ouders omgebracht - maar nu horen we er niks meer over.'