donderdag 4 april 1996

DE PARADOX VAN DE MEDIAHYPE. IN DE GREEP VAN DE GEKKE KOE

DE PARADOX VAN DE MEDIAHYPE. IN DE GREEP VAN DE GEKKE KOE

Peter Vasterman

Gepubliceerd in de Volkskrant van 4 april 1996
Wetenschappers zijn er nog niet in geslaagd om het verband ook daadwerkelijk te bewijzen, maar het kan bijna geen toeval zijn dat zich juist in Engeland een reeks van affaires voor heeft gedaan rond gezondheidsrisico's. Vorig jaar was er nog de 'pilpaniek', twee jaar geleden de opwinding rond de ontdekking van een nieuwe -al meer dan 100 jaar bekende- vleesetende bacterie en in de jaren daarvoor was iedereen in de ban van de hypes rond de salmonella en lysteria besmettingen.(Detection methodologies for Listeria monocytogenes)

zaterdag 16 maart 1996

'Ontuchtaffaires sociaal symptoom'; Onderzoeker P. Vasterman over mediahype en werkelijkheid

NRC Handelsblad, 16 maart 1996

Door: Monique Snoeijen. 

UTRECHT, 16 MAART. De brief over seksueel misbruik door een godsdienstleraar was nog maar net aan de ouders verstuurd of er stond al een cameraploeg bij de rector van het interconfessioneel college in 's-Gravenzande op de stoep. De man had pech. De publiciteitsmachine over ontucht op scholen was reeds aangezwengeld. Ze was sputterend op gang gekomen met de ontuchtzaak van een godsdienstleraar van een protestantse scholengemeenschap in Rijssen en had zich enkele weken later warm kunnen draaien met de zaak van een aardrijkskundeleraar van een gereformeerde scholengemeenschap in Amersfoort.

Ontucht op confessionele scholen. Het was er altijd al, maar nu pas heeft het de volle aandacht van de media. 'Het journalistieke vliegwiel is op gang gekomen', zegt P. Vasterman, docent massacommunicatie aan de Utrechtse School voor Journalistiek en Voorlichting. Twee jaar geleden begon hij aan zijn promotieonderzoek naar 'mediahypes' over de 'dynamische wisselwerking tussen de media en de samenleving'.

Met mediahype bedoelt Vasterman dan niet de opgeklopte publiciteit voor bijvoorbeeld een pas verschenen boek of film. Hij richt zich op het mechanisme dat ten grondslag ligt aan publiciteitsgolven over maatschappelijk problemen. Niet alleen mensen kunnen volgens Vasterman hyperventileren. Ook de media kunnen door de opwinding 'heel sterk en gejaagd gaan ademhalen'. En gek genoeg verloopt dat volgens Vasterman altijd via hetzelfde patroon.

Het begint vaak met een incident dat bijvoorbeeld alleen in een regionaal dagblad aandacht krijgt. Meestal is het een onderwerp over seksualiteit, criminaliteit of gezondheid. Kort daarna verschijnt elders een soortgelijk bericht. Een belanghebbende of een journalist neemt 'een trend' waar en voorziet het verschijnsel van een nieuw 'label'. Nu kan de vonk overspringen. Journalisten laten de dagelijkse nieuwsstroom door een nieuw filter gaan en houden elkaar scherp in de gaten. Bovendien voelen lezers en kijkers zich door de uitvoerige publiciteit aangespoord om ook met hun ervaringen voor de dag te komen. 'Daardoor lijkt het alsof een verschijnsel is toegenomen', zegt Vasterman, 'maar het gaat vooral om een toename van de berichtgeving erover.' Vroeger kwam bijvoorbeeld kindermishandeling op veel grotere schaal voor dan nu, zegt Vasterman. 'Toch zijn de cijfers al jaren aan het stijgen. Dat komt omdat we er nu veel meer op letten en de definitie van kindermishandeling bovendien is verruimd. Wat vroeger een ferme tik van de hoofonderwijzer was, heet nu mishandeling.'

In het bestuderen van mediahypes is het volgens Vasterman van groot belang om een onderscheid te maken tussen 'incidentele mediahypes' en 'structurele publiciteitsgolven' - ook al vertonen ze hetzelfde patroon.

Neem nu de 'Killerbug'. In het voorjaar van 1994 kwam hij uit Engelse kranten overgevlogen naar Nederland. De Engelse tabloids hadden flink uitgepakt. 'Vleesbacterie at mijn broer op in achttien uur' kopte de Sun. Nederlandse media volgden. Het Algemeen Dagblad schreef over het 'vleesetend virus dat zich met een snelheid van ongeveer 2,5 centimeter per uur door vlees, vet en spieren eet'. In het tijdschrift Massacommunicatie van maart vorig jaar beschrijft Vasterman hoe de Killerbug in Nederland tot de nodige opwinding leidde. Het begon met een stukje in een regionale krant dat meldde dat de directie van het plaatselijke ziekenhuis had besloten de operatie-afdeling tijdelijk te sluiten en schoon te maken nadat twee mensen besmet waren geraakt met een gevaarlijke bacterie. In dezelfde streek komt later nog een geval voor en na de publiciteit over de 'vleesetende bacterie' die dan op gang komt volgt nog een vierde geval. 'Vanaf dat moment zien journalisten een cluster en kan de zaak escaleren', schrijft Vasterman. Maar een deel van de berichten was onjuist, de rest was al langer bekend. Daarom stierf de Killerbug, net als bijvoorbeeld de opwinding rondom kankerverwekkende parkieten een aantal jaren daarvoor, een vroege dood. Een schoolvoorbeeld van een incidentele mediahype.

Anders ligt het met publiciteitsgolven die een weerslag zijn van een veranderende samenleving. Een publiciteitsgolf kan ook een uitdrukking zijn van een verandering in bewustwording en langer dan een decennium beklijven. In dat kader moet men volgens Vasterman de aandacht voor ontucht op scholen plaatsen. Het past in de continue publiciteitsstroom over seksueel misbruik die in de jaren tachtig ontsprong. In de jaren zestig werd volgens Vasterman bijvoorbeeld nog tamelijk laconiek gedaan over verkrachting. 'Verkrachters waren psychopaten die zich ophielden in donkere bosjes.' Maar in de jaren zeventig werd verkrachting 'herontdekt' en ontstond het beeld dat verkrachters vaak bekenden van het slachtoffer waren en veel verkrachtingen binnen relaties plaatsvonden. Als uitvloeisel hiervan en onder druk van de vrouwenbeweging kwam in de jaren tachtig het onderwerp incest op de agenda. In 1982 werd de Vereniging tegen Seksuele Kindermishandeling opgericht en in de jaren daarna kwam er een onophoudelijke stroom van artikelen, reportages, boeken en films op gang over seksueel misbruik van kinderen.

De aandacht nu voor ontucht op confessionele scholen is volgens Vastermans 'een logische vertakking' van deze nieuwsstroom. Veel aandacht ging daarin de laatste tijd uit naar seksueel misbruik binnen gezagsverhoudingen. De dokter met de patiënt, de hulpverlener met de verstandelijk gehandicapte, de pastores met de parochiaan, de trainer met de sporter en nu de leraar met de leerling. Dat er sprake is van een mediahype wil volgens Vasterman nog niet zeggen dat media de zaak opblazen. 'De media doorbreken een taboe en andere slachtoffers besluiten dan ook met hun ervaringen naar buiten te komen.' Mediahypes kunnen volgens Vasterman bovendien een positief effect hebben. 'Na verloop van tijd zal de berichtenstroom over ontucht op scholen weer wegebben, maar dan is er wel wat veranderd in de samenleving. Leerlingen zullen eerder aan de bel trekken als ze het idee hebben dat een leraar een grens overgaat.'

Maar met de opkomst van regionale en lokale media en de toename van nieuwe commerciële zenders is er wel een schreeuwende behoefte ontstaan aan onderwerpen voor alle actualiteiten- en praatprogramma's. Vastermans heeft het idee dat mediahypes daardoor de laatste jaren in aantal toenemen. 'Affaires zingen ook makkelijker rond.' Maar de docent massacommunicatie wil niet in de valkuil van zijn eigen onderzoek trappen. 'Nu ik het label mediahype op sommige nieuwsstromen heb geplakt, lijkt het misschien wel alsof het verschijnsel is toegenomen, maar het is natuurlijk zo oud als de media zelf.'

Foto: P. Vasterman. (Foto Evelyne Jacq)



maandag 4 maart 1996

Het is verontrustend en het neemt toe; Waarom het mediahypevirus steeds ernstiger om zich heen slaat

Algemeen Dagblad, 4 maart 1996

Door Carel Brendel 

IN ONS DORP woonde een jongen die ter wille van zijn opvoeding naar een rooms-katholiek internaat werd gestuurd. Na enige tijd hoorden we dat de paters of fraters op dit instituut hun handen niet thuis konden houden. Niemand keek op van deze verhalen. Dat was toch geen nieuws! Zoiets kon je verwachten op een katholieke kostschool. Bovendien bestonden er aan het eind van de jaren vijftig nog geen 06-lijnen, meldpunten of steungroepen waar de slachtoffers van seksueel geweld of kindermishandeling hun nood konden klagen.

Het ANP meldde onlangs dat sinds 1992 bij een daartoe ingestelde stichting maar liefst 400 klachten zijn binnengekomen over seksueel misbruik door pastores. Volgens Ikon-omroeppastor ds. J. van der Werf gaat het om 'het topje van de ijsberg'. Het publieke geheim van toen is uit de taboesfeer gehaald, benoemd en en bespreekbaar geworden. Maar uit het bericht wordt niet duidelijk of de ijsberg groter is dan veertig jaar geleden. Je zou gezien de afname van zowel het aantal pastores als het aantal gelovigen eerder veronderstellen dat het misbruik sterk terugloopt.

Het berichtje over de ontsporende priesters en dominees heeft weinig aandacht getrokken. Het is overschaduwd door andere, nieuwere en spectaculairdere gevallen van seksueel misbruik. In Rijssen zou een godsdienstleraar aan een technische school ontucht hebben gepleegd met dertig jongens. De ophef rond deze affaire is des te groter, omdat zij zich afspeelt in een zeer orthodox gereformeerd dorp en de verdachte bovendien lid is van de Noorse Broeders, een 'sektarische' groep met bevindelijke en charismatische trekken. Het fenomeen sekte speelt ook in de zaak van de Amsterdamse Platoschool, die wordt bestierd door de School voor Filosofie. Onderwijzers worden tien jaar na dato beschuldigd van 'structureel slaan' op blote billen van leerlingen.

(Verdenking van) ontucht verder op een basisschool in Dokkum, in een tehuis voor zwakzinnigen in Udenhout, en in de Nederlanse Judobond, waar drie pupillen de succestrainer Peter Ooms beschuldigen van vergaand misbruik. De harde weg naar de sportieve top ging volgens judoka Anita Staps gepaard met 'dingen die waarschijnlijk getrouwde stellen niet eens met elkaar doen'.

"De komende tijd kunnen we meer berichten verwachten over trainers die hun pupillen misbruiken', reageert Peter Vasterman, docent massacommunicatie aan de faculteit Journalistiek en Voorlichting van de Hogeschool Utrecht. Vasterman heeft zich gespecialiseerd in het verschijnsel 'mediahype', de opgeklopte en soms alarmerende berichtgeving over aansprekende onderwerpen. "De drie judoka's hebben het onderwerp op de agenda gebracht. De media gaan verder speuren. Soortgelijke, vaak nietige incidenten zullen groot nieuws worden, terwijl ze anders niet eens het nieuws zouden halen, belangengroepen zullen pleiten voor een gedragscode, en voor je het weet gaan de mensen denken dat er een trend is van toenemend misbruik van sporters door hun coaches.'

Het woord hype stamt uit de Verenigde Staten en sloeg oorspronkelijk alleen op de commercieel doorgedraaide opwinding rond nieuwe boeken, films en platen. Zo beleefde de wereld hypes rond haaien (Jaws), dinosaurussen (Jurassic Park) en Paul de Leeuw (Filmpje). En zo is het dezer dagen opeens nieuws dat het geboortehuis van de schilder Johannes Vermeer aan de Voldersgracht in Delft nog steeds bestaat.

Bij andere hypes is de directe invloed van commercie of belangengroepen minder eenvoudig te traceren. Maar Vasterman kent wel voorbeelden. Hij noemt de jarenlange opwinding in de VS rond vermiste kinderen. De Amerikaanse media kwamen halverwege de jaren tachtig met verhalen over 50.000 ontvoeringen van kinderen per jaar; in totaal zouden er anderhalf miljoen kinderen vermist worden. Vasterman: "De cijfers gingen een eigen leven leiden zonder dat iemand de moeite nam ze te checken. Totdat ontdekt werd dat een belangengroep in New York zwaar overdreven cijfers had gepubliceerd. Je ziet dat vaak. Ergens verschijnt een cijfer, niemand onderzoekt de bron, iets is verontrustend en neemt toe, maar de definitie van wat er zo verontrustend toeneemt wordt steeds onduidelijker.'

Geldingsdrang van het federale bureau dat is belast met de controle op vuurwapens, veroorzaakte volgens velen de bloedige veldslag met de sekte van David Koresh in Waco (Texas). En is het toeval dat de ruimtevaartorganisatie Nasa opeens een gevaar ziet in de ver in het heelal als 'tijdbom voor de aarde' zwevende planetoide Eros? Of zoekt ze nieuw werk nu het 'rode gevaar' uit de Sovjetunie is verdwenen?

Ook in Nederland zijn de afgelopen jaren grote en kleine hypes gelanceerd door belanghebbenden, aldus Vasterman. "Organisaties die zich moeten bewijzen of hun subsidie dreigen kwijt te raken, komen soms met opvallend nieuws naar buiten. Nederland werd opgeschrikt door enkele voedselaffaires toen de Keuringsdienst voor Waren met opheffing werd bedreigd. Rond de opvang van asielzoekers werd door het ministerie van WVC in 1993 bewust een chaotische situatie gecreeerd (ze zouden moeten slapen in het maisveld) om de gemeenten onder druk te zetten. Onlangs nog kwam de Anbo in Amsterdam naar buiten met alarmerende berichten over intimidatie van oudere huurders door huiseigenaren. Met een natte-vinger-onderzoek kwamen ze tot 280 meldingen. De Anbo wil gewoon subsidie voor een meldpunt.'

Het fenomeen meisjesbende (in Apeldoorn hebben allochtone meisjes uit jaloezie knappe blondines in elkaar geslagen) heeft alles in zich om tot hype uit te groeien. "Er is duidelijk veel meer aan de hand', verkondigt de plaatselijke politie. De eerste belangengroepen, zoals de Raad voor de Kinderbescherming en de Riagg, hebben zich al gemeld, terwijl de stichting Wisselwerk op haar beurt de politie ongenuanceerde berichtgeving verwijt.

Vasterman: "Als andere tot dusver losse incidenten straks onder dezelfde noemer worden gebracht, hebben we een nieuwe trend gecreëerd.' De eerste signalen van een hype zijn er al, want uit Apeldoorn komt meer alarmerend nieuws: "In winkelcentrum Oranjerie zijn al maanden problemen met jongeren die op donderdagavond en in het weekeinde het publiek lastig vallen.' Voor de goede orde: opgeschoten jongeren hingen veertig jaar geleden ook al rond in winkelcentra. En toen woonden alle allochtone meisjes nog achter de Bosporus.

"Allochtonen en asielzoekers, gezondheid en milieu, seksualiteit en kinderen, afwijkend gedrag en criminaliteit, dat zijn de terreinen die zich bij uitstek lenen voor hypes', zegt Vasterman. "Er ontstaat geen hype rond de hoge staatsschuld van Nederland, want die raakt bij niemand een gevoelige snaar.'

De Utrechtse docent wil de schuld niet alleen bij de pers leggen. "Er is een wisselwerking tussen maatschappij en media. De hypes zijn er de uitdrukking van dat de samenleving zich bewust wordt van problemen als seksueel geweld en georganiseerde misdaad. Er voltrekt zich een verandering in het denken en er komen nieuwe termen. Wat vroeger ontucht was, heet nu seksuele kindermishandeling. De journalistiek heeft de taak deze onderwerpen te coveren. Maar we moeten meer vragen stellen, zoals: Hoe zit het echt? Is er wel een stijging van het aantal incidenten? Deugt het onderzoek? Want als eenmaal een verkeerd beeld is gevormd, krijg je dat niet snel weg.'

Foto: Fotografen storten zich op Tweede-Kamerlid Van Traa (links), die zijn rapport overhandigt aan Kamervoorzitter Deetman. Criminaliteit is een bij uitstek hypegevoelig onderwerp. Foto RFA


vrijdag 23 februari 1996

ADHD-HYPE het is erg, het is verontrustend en het neemt toe.

Steeds meer kinderen vertonen gedragsstoornissen. Is er sprake van een verontrustende toename of neemt alleen maar de aandacht voor dit soort problemen toe? 'ADHD has become a terrible fad.'
GEPUBLICEERD IN DE JOURNALIST VAN 23 FEBRUARI 1996


Peter Vasterman

Het aantal kleuters met gedragsproblemen is in de afgelopen tien jaar verdubbeld, het aantal jongeren dat wordt verdacht van moord en doodslag is in dezelfde periode zelfs verdriedubbeld, een op de twintig kinderen lijdt aan het zogenaamde ADHD-syndroom (Attention Deficit Hyperactivity Disorder), vijftien procent van de kinderen op de basisschool vertoont concentratiestoornissen en 28 tot 42 procent van de kinderen heeft voedselallergieën, die weer aggressiviteit en hyperactiviteit veroorzaken. Daarmee is hyperactiviteit de meest voorkomende psychiatrische stoornis onder kinderen. Bij ouders die zich slachtoffer voelen van hun eigen onhandelbare kinderen, kan sprake zijn van 'oudermishandeling'. Daarnaast zijn er ook nog allerlei gezondheidsproblemen: een kwart van de kinderen heeft slaapproblemen, een op de vijf leerlingen in de leeftijd van vier tot zes jaar kampt met een lichamelijk beperking, zoals een beperkt uithoudingsvermogen door luchtwegklachten of een spraakstoornis.

een ziekmakend virus?

Al deze gegevens zijn afkomstig uit allerlei recente publikaties en reportages, waarin de noodklok werd geluid over het groeiend aantal kleuters, kinderen en jongeren met allerlei ernstige gedragsstoornissen. 'Wie alles optelt wordt er duizelig van.' Aldus NRC Handelsblad (22/7/95) in een van die vele alarmerende verhalen: 'Waart er een ziekmakend virus rond onder de kinderen; wordt het Nederlandse kind almaar ongezonder? Of zijn onderzoekers en belanghebbenden doende hun subsidies veilig te stellen?' Zijn er meer problemen of erkennen we ze sneller, vraagt een deskundige zich in dit stuk af.
Gezien de belangrijke rol van de media zou je daar aan toe moeten voegen: Of zijn het de media die telkens weer 'nieuwe' syndromen, ziektes en stoornissen ontdekken, opkloppen en uitvergroten? Komt het door journalisten die er zelden bij stilstaan dat allerlei zogenaamde 'toenames' het gevolg zijn van bredere definities of andere onderzoeksmethoden? En dat juist de publiciteit weer leidt tot een toename van het aantal meldingen?

de maatschappelijke perceptie

Leg je een willekeurge selectie uit de reportages en artikelen over al die 'brekebeentjes' naast elkaar, dan ontdek je dat journalisten tamelijk ééndimensionaal aan de slag gaan met dit soort onderwerpen. Men lijkt te werken volgens een vast schema: dit is het probleem, dit is de oorzaak, een op de tien heeft het al, het neemt bovendien toe, dat is verontrustend en dus moet er iets aan gedaan worden. Wat is hierop uw reactie? Er is dan ook weinig fantasie voor nodig om te voorspellen hoe een willekeurige actualiteitenrubriek zo'n item over bijvoorbeeld 'gedragsstoornissen bij kinderen' in elkaar zal zetten. Ernstiger dan deze voorspelbaarheid is het feit dat de verslaggevers zich er niet van bewust lijken te zijn dat niet zozeer de werkelijkheid verandert, als wel de maatschappelijke perceptie van die werkelijkheid. Met andere woorden: in de meeste gevallen worden 'de problemen' niet erger, maar (h-) erkennen we ze eerder en vinden we ze ernstiger dan vroeger.

meer meldingen van kindermishandeling

Vroeger kwam kindermishandeling op een veel grotere schaal voor dan nu. Toch zijn de cijfers al jaren aan het stijgen. Dat betekent natuurlijk niet dat kindermishandeling is toegenomen -zoals telkens weer wordt gemeld- eerder het tegendeel. De maatschappelijke definitie van kindermishandeling is veranderd (wat vroeger een ferme tik was van de hoofdonderwijzer is nu 'mishandeling'), terwijl er bovendien nu veel meer op wordt gelet. Er is een netwerk van vertrouwensartsen, leerkrachten krijgen trainingen om signalen van kindermishandeling te herkennen en er zijn voorlichtingscampagnes s ('Over sommige geheimen moet je praten'). Het gevolg van die inspanningen is niet dat de mishandeling toeneemt, maar dat het probleem zichtbaarder wordt. Vandaar de paradox dat dergelijke campagnes juist leiden tot een 'toename' van het probleem, dat wil zeggen tot meer meldingen van kindermishandeling.

een verontrustende toename

Een ander kenmerk van het ééndimensionale verhaal is het bij elkaar vegen van zeer uiteenlopende problemen en gedragsstoornissen, waardoor niet alleen de indruk wordt gewekt dat Het Probleem zeer ernstig is, maar ook nog eens dat sprake is van een verontrustende toename.
Een goed voorbeeld hiervan was de Brandpunt reportage van 13 oktober 1995 over kleuters met gedragsstoornissen. Een streng kijkende Fons de Poel opent met een uitgebreide opsomming:
'Faalangst, groeistoornissen, taalachterstand, contactarmoede, het aantal kleuters met leer- en gedragsstoornissen is de afgelopen tien jaar verdubbeld. Hoe is dat mogelijk? Een alarmerend bericht over de allerjongsten in de samenleving.' De verslaggever heeft zich in één geval verdiept van een (waarschijnlijk) hyperactief jongetje (waarschijnlijk, want een duidelijke diagnose wordt niet gegeven) en concluderen: 'De Nederlandse kleuter wordt moeilijker en moeilijker. Volgens recent onderzoek zijn er steeds meer kinderen met extreme leer- en gedragsstoornissen. Het aantal kleuters dat daarom speciaal onderwijs nodig heeft, is de afgelopen tien jaar verdubbeld.'
Zo stoeit de redactie nog even door met de cijfers, want Timmy, de hoofdrolspeler in de reportage, blijkt 'een van de 3200 kleuters in Nederland met dit type gedrag. Hun aantal groeit, dan doemt de vraag op wat de gevolgen kunnen zijn.' En inderdaad, daar voorspelt een sombere deskundige weer Amerikaanse toestanden, van zwerfgedrag, criminaliteit tot en met een toename van moord en doodslag.
Over welke problemen van welke kleuters het nu eigenlijk precies gaat, wordt niet duidelijk. Er is sprake van: 'gedragsstoornissen, faalangst, groeistoornissen, taalachterstand, contactarmoede, leerstoornissen, extreme leer- en gedragsstoornissen', en van 'een combinatie van spraak, taal en motoriek problemen.' Maar of de 'probleemkleuter' dat allemaal in even sterke mate heeft, mag betwijfeld worden.

één groot containerbegrip

Het visnet wordt breed uitgeworpen en dus komt er van alles in terecht: allerlei problemen, van klein tot groot, van groeistoornissen tot en met hyperactiviteit, worden in die éne grote container: 'gedragsstoornissen' gedumpt, samen met wat willekeurige cijfers. Toch is er een wereld van verschil tussen een autistisch kind en een kleuter met concentratiestoornissen. Het enige echt 'harde' cijfer in de reportage is het gegeven dat het aantal kinderen in het speciaal onderwijs in de afgelopen tien jaar is verdubbeld. Maar dat cijfer hoeft nog niet hoeft te betekenen dat het aantal kinderen met problemen ook is verdubbeld. Misschien is dat aantal juist wel afgenomen dankzij dat speciaal onderwijs. Misschien gaat het wel beter dan ooit met het Nederlandse kind, juist omdat er steeds meer kinderen aan allerlei testen worden onderworpen en niet meer aan hun lot worden overgelaten zoals vroeger het geval was.
Arme Timmy, het slachtoffer in Brandpunt, hij wordt met zijn vrolijke feestmuts op zijn zesde verjaardag al afgeschilderd als een potentiële crimineel, die ervoor zal zorgen dat moord en doodslag over een jaar of tien met zestig procent zullen toenemen, net als in de VS.

rust en regelmaat

De ééndimensionale aanpak in dit soort reportages roept een soort dreigingsbeeld op waarin geen plaats is voor nuanceringen en relativeringen. Het is erg, het is verontrustend en het neemt toe.
Wat de oorzaken betreft heeft Brandpunt slechts oog voor de ouders die hun kinderen té tolerant zouden opvoeden: 'het is de school die voor steeds meer kleuters een oase van rust regelmaat en aandacht daar is een duidelijke structuur die thuis kennelijk ontbreekt, omdat ouders door hun eigen problemen steeds meer de greep op de opvoeding verliezen.' Geen woord over allerlei andere oorzaken van gedragsstoornissen bij kleuters zoals het vroeger zo populaire 'minimal brain damage,' de voorloper van ADHD.

ADHD en jeugdcriminaliteit

Eéndimensionaliteit betekent ook: het uitvergroten van één aspect en geen oog hebben voor allerlei andere mogelijke benaderingen en verklaringen. Terwijl Brandpunt geen enkele keer verwijst naar mogelijk biologische oorzaken van afwijkend gedrag bij kinderen, slaat het NOS Journaal weer helemaal door naar de andere kant. Het komt allemaal door de hersenstoornis ADHD en het kan prima met medicijnen aangepakt worden.
'Criminaliteit onder jongeren kan voorkomen worden door behandeling.' Op een donkere zaterdagavond in december komt het NOS Journaal met de verrassende mededeling dat eindelijk de oorzaak van de snel om zich heen grijpende jeugdcriminaliteit ontdekt is. Joop van Zijl: 'Ze worden gepakt voor berovingen, mishandelingen, doodslag en moord. Jeugdige criminelen van 12 tot 18 jaar, en ze belanden vaak voor de rechter en in de cel. Dat kan worden voorkomen, dat zegt de Haagse kinderpsychiater Dorelijers. Hij heeft een onderzoek gedaan onder 100 criminele jongeren en volgens Dorelijers zijn veel jeugdige criminelen ontspoord door de psychiatrische stoornis ADHD, die veroorzaakt hyperativiteit en concentratieproblemen bij jongeren. Door een vroegtijdige behandeling onder andere door medicijnen kan worden voorkomen dat deze jongeren het criminele pad opgaan. Maar justitie heeft daar nu onvoldoende oog voor.'

steeds crimineler

Terwijl we beelden zien van gevangenissen, horen we: 'Jongeren worden volgens de onderzoeker steeds crimineler en gewelddadiger, het aantal jongeren dat wordt verdacht van moord en doodslag is de afgelopen tien jaar meer dan verdrievoudigd.
(...) De Haagse psychiater Dorelijers en zijn team van onderzoekers ontdekten dat de stoornis ADHD een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van crimineel gedrag.'
Vervolgens komt Dorelijers zelf uitleggen wat ADHD is en dat de kans dat deze kinderen afglijden naar het criminele circuit volgens Amerikaans onderzoek tien keer zo groot is als bij gewone kinderen. Het goede nieuws is dat Dorelijers een test zal ontwikkelen voor het vaststellen van ADHD.
Er duiken na het zien van een dergelijk Journaalitem allerlei vragen op: is het wel terecht om zo stellig uit te pakken over ADHD als oorzaak van jeugdcriminaliteit? Als er nog geen test is om ADHD vast te stellen, hoe kan de psychiater dan zo zeker zijn van zijn zaak? Welke belangen spelen hierbij een rol?
Merkwaardig is ook dat het onderwerp eigenlijk helemaal geen nieuws is: het proefschrift van Dorelijers is al in april 1995 verschenen en heeft toen ook al wat publiciteit opgeleverd. Bovendien is toen helemaal niet zo sterk de nadruk gelegd op ADHD. Wie het boek van Dorelijers ('Diagnostiek tussen jeugdstrafrecht en hulpeverlening.' Arnhem 1995) er nog eens op naslaat, ontdekt dat het woord ADHD slechts een keer of zeven voorkomt in het dikke proefschrift. ADHD komt in het onderzoek aan de orde als een van de vele psychische stoornissen waar jonge delinquenten mee te maken hebben, naast bijvoorbeeld: 'antisociale gedragsstoornissen, affectieve stoornissen, dreigende persoonlijkheidsstoornissen en middelenmisbruik.' (p. 172). Verder is er veel 'psychopathologie in de familie' en 'veel geweld in het gezin'. Er is dus vaak veel meer aan de hand, dan enkel ADHD, zeker in de sociale omgeving van deze jongeren.

angst voor stigmatisering

Het onderzoek levert geen duidelijke ondersteuning voor de stellige uitspraak van het Journaal dat veel jeugdige criminelen zijn ontspoord door ADHD. De beelden bij het Journaalitem tonen overigens vooral allochtone jongeren en ook in de steekproef van Dorelijers waren zij oververtegenwoordigd, maar geen woord daarover in het Journaal. Speelt hier angst voor stigmatisering een rol of blijft men omwille van de overzichtelijkheid van de reportage krampachtig vasthouden aan de eenzijdige ADHD-hypothese?
Een probleem is verder dat Dorelijers ook een geen sluitende definitie geeft van ADHD en dat de door hem aan de jongeren voorgelegde testen ook niet specfiek ADHD meten maar bijvoorbeeld 'aandachtstekortstoornis' (14 procent), door Dorelijers vervolgens omschreven als 'de diagnose ADHD'.
Het NOS Journaal zorgt zodoende voor een sterke uitvergroting van een schijnbaar specifieke stoornis, namelijk ADHD, terwijl de definiëring en de diagnostisering daarvan nog onduidelijk is. Volgens de Amerikaanse auteurs van 'Driven to Distraction' (Simon & Schuster, 1995) gaat het om 'inattention, hyperactivity, impulsivity and distractibility, though there is no one definitive test for ADHD and no single cause can be found.'

ADHD heavily over-diagnosed

Het is overigens typerend voor de berichtgeving over dit soort problemen dat de cijfers almaar blijven stijgen, hoewel het dus niet gaat om een eenduidig 'ziektebeeld'. Eerst is nog is sprake van van twee procent van alle kinderen, vervolgens van vijf procent en dan zelfs van tien procent (een op de tien!). Duidelijk is in ieder geval dat ADHD in de VS, waar ook een grote controverse is ontstaan over het voorschrijven van medicijnen, het hoogste scoort van alle bij kinderen vastgestelde gedragsstoornissen. The New York Times schreef vorig jaar dan ook: 'There is now an attempt to pathologize what was once considered the normal range of behavior of boys. Today, Tom Sawyer and Huckleberry Finn surely would have been diagnosed with both conduct disorder and ADHD.'
Dr. Tom Gumpel van de Hebrew University en voorzitter van de in mei 1995 georganiseerde internationale conferentie over 'Attention Deficit Disorders' verklaarde tegenover The Jerusalem Post(19 mei, 1995): 'ADHD is heavily over-diagnosed and there is so much misinformation about it. Now we have a label for the same behaviors we saw 10 year ago, and it's a dubious label at best. (...) Everybody probably has ADHD-like symptoms at some point in his life. ADHD has become a terrible fad.'

toename ADHD

Het gevolg van veel publiciteit rond een modieus 'catch-all' begrip als ADHD zal onherroepelijk zijn dat steeds meer artsen, hulpverleners en ouders dat soort symptomen zullen gaan herkennen bij kinderen met de meest uiteenlopende gedragsstoornissen, zodat het NOS Journaal over eind 1996 kan melden dat het aantal ADHD-kinderen het afgelopen jaar met tientallen procenten is toegenomen.
Er is natuurlijk niet één ziekte die de jeugdcriminaliteit in z'n geheel kan verklaren, evenmin als gedragsstoornissen uitsluitend worden veroorzaakt door té tolerante ouders. Zoals NRC Handelsbladschreef zijn onderzoekers en belanghebbenden altijd druk doende om via de publiciteit hun subsidies veilig te stellen. Van journalisten mag men enige distantie verwachten en bovendien een kritisch benadering van al die vermeende toenames van stoornissen en gedragsproblemen.

zaterdag 28 oktober 1995

Shell, Greenpeace en het vaste - patroon van de publiciteitsgolf

 De Gelderlander, 28 oktober 1995

Toen Shell vier jaar geleden het olieopslag- en laadstation Brent Spar uit dienst nam, begonnen bergingsbedrijven, ingenieursbureaus en universitaire instituten te zoeken naar de veiligste, goedkoopste en minst milieubelastende manier om van het 140 meter hoge gevaarte af te komen. Negentien manieren werden bestudeerd. Als beste oplossing kwam uit de bus: het laten zinken van de constructie in diep water. Natuurbeschermers en wetenschappers stemden met het plan in, Schotse autoriteiten gaven de vergunning af, regeringen van alle Noordzeelanden werden ingelicht. Niemand tekende bezwaar aan.

Tot milieuactivisten van Greenpeace eind april de Brent Spar bezetten. Hun acties en de tegenacties van de transporteur leverden spectaculaire televisiebeelden en foto's op: 'David' Greenpeace tegen 'Goliath' Shell. De milieuactivisten gooiden olie op het vuur met de mededeling dat in de Brent Spar 5550 ton olieachtige produkten - honderd maal meer dan wat Shell beweerde - en tonnen radioactieve stoffen zaten. Die zouden het leven in de Atlantische Oceaan bedreigen.

In Duitsland, Nederland en andere Europese landen groeide de publieke en politieke verontwaardiging. Ministers kwamen in het geweer, tegen Shell en tegen de Britse regering. Shell-pompstations werden getroffen door een boycot en zelfs door bommen: nepbommen in Nederland, echte in Duitsland. Dagbladcommentatoren schreven dat Shell misschien wel feitelijk gelijk had, maar in geen geval gelijk behoorde te krijgen. Grote advertenties waarin Shell het onderzoek en het afzinkbesluit toelichtte, baatten niet. In juni ging de directie overstag, ook al bleef zij ervan overtuigd dat afzinken de beste oplossing was. De Brent Spar werd geparkeerd in een Noorse fjord, en er brak een periode van bezinning aan.

Terwijl de milieubeweging de overwinning vierde, klonken in dag- en weekbladen de eerste twijfels. Had Shell er wel verstandig aan gedaan door de knieën te gaan voor pressie in plaats van steekhoudende argumenten? En moesten de boycotters zich niet schamen over hun opportunisme en hun veelal hysterische reacties?

Twee maanden later bood Greenpeace Shell excuses aan over valse beschuldigingen over de inhoud van de Brent Spar. Vorige week maakte een onafhankelijk Noors onderzoekbureau bekend dat de inhoudsopgaven van Shell de werkelijkheid veel dichter benaderden dan die van Greenpeace.

Verder ontving Shell de afgelopen maanden spontaan meer dan tweehonderd ideeen voor een andere bestemming van de olieopslagplaats. Ingenieurs over de hele wereld werden uitgenodigd, plannen voor de Brent Spar in te dienen. Openheid is het nieuwe devies van het olieconcern. Deze keer moet het grote publiek doordrongen worden van de kansen en de onmogelijkheden om op een milieuvriendelijke manier van de megadobber af te komen, aldus directeur Rothermund van Shell Expro, de beheerder van de Brent Spar.

De mogelijkheid dat het gevaarte alsnog in zee verdwijnt, bestaat nog steeds. De klok is teruggezet naar 1991. De kring is gesloten.

De Brent Spar-geschiedenis is een boeiend voorbeeld van de wisselwerking tussen media-aandacht, publieke opinie en politieke activiteit, en van het verschijnsel dat de Duitse onderzoekster prof. Elisabeth Noelle-Neumann de 'zwijgspiraal' heeft genoemd: wilde je meetellen, dan moest je wel tegen Shell zijn, en was je voor het standpunt van de Shelldirectie, dan kon je beter in gezelschap je mond houden.

Zowel Shell als Greenpeace bleek volkomen verrast door de massale steun voor de acties. Ineens werd het drijvende gevaarte op de oceaan het symbool van het Kwaad, en werden dappere activisten in rubberbootjes strijders voor het Goede. Niemand twijfelde aanvankelijk aan de juistheid van de beweringen van de Goeden, niemand luisterde naar de tegenargumenten van het Kwade. De advertenties van Shell waren weggegooid geld, de persconferenties vergeefse moeite: de koers van de meningsvorming was niet meer te verleggen. De enige Nederlandse politicus die het in juni openlijk opnam voor Shell, de VVD'er Joekes, is al jaren met pensioen en hoefde dus niet bang te zijn voor zijn positie.

Er is nog een reden om terug te komen op deze geschiedenis. Zij blijkt precies te passen in het patroon dat publiciteitsgolven vertonen.

Eerst wordt een gebeurtenis tot nieuws gemaakt, door een bron die een duidelijk belang heeft bij publiciteit. In dit geval was de boodschap van Greenpeace: hier drijft niet zomaar een afgedankt olieopslagvat, hier staat een multinational op het punt een wereldzee op termijn te vergiftigen.

Fase twee: media en actievoerders dragen steeds meer feiten en veronderstellingen aan die het dreigende gevaar ondersteunen. Informatie die hierin niet past, wordt genegeerd of ontkend.

Fase drie: de reacties. Gooien politici en deskundigen olie op het vuur, of prtoberen ze juist de opwinding te sussen? In dit geval deden politici het eerste, en reageerden de deskundige wetenschappers en technici verdeeld. De actievoerders moesten dus wel gelijk hebben, dacht het publiek. En autobezitters kunnen heel gemakkelijk een daad stellen: een Shellpomp is zo gepasseerd.

Fase vier: de uitdoving en vernieuwing van de publiciteitsgolf. De druk op Shell helpt, en direct daarop begint een andere discussie: zijn de Goeden wel zo goed, is het Kwaad wel zo kwaad?

Deze 'anatomie van de publiciteitsgolf' staat in het boek 'De context van het nieuws'. Zonder het voorbeeld van Shell en Greenpeace, met de voorbeelden van het kustgeweld in de zomer van 1984, de seksueel misbruikte kinderen in Oude Pekela (1987) en de Bolderkar (1988) en de Barendrechtse verdrinkingsaffaire uit 1993. Misdaadgolven blijken vaak publiciteitsgolven, schrijven Peter Vasterman en Onno Aerden, docenten aan de Utrechtse School voor Journalistiek en Voorlichting. Milieugolven ook, voeg ik eraan toe.

In 'De context van het nieuws' belichten Vasterman en Aerden een reeks werkwijzen, wetmatigheden en beperkingen van de journalistiek. Zij geven zinnige antwoorden op zinnige vragen als: hoe ziet de maatschappelijke context eruit waarbinnen journalisten functioneren, hoe opereert de journalist als zelfstandige professional binnen de nieuwsorganisatie, hoe verloopt de selectie van feiten en bronnen, hoe wordt journalistiek beleid gemaakt, waarom groeien onderwerpen ineens uit tot mediahypes, en welke rol speelt het publiek?

Het boek is uitgegeven door Wolters-Noordhoff in Groningen en kost gulden 39,50.

 


zaterdag 23 september 1995

Media hypes A framework for the analysis of publicity waves.

Media hypes

A framework for the analysis of publicity waves.

Peter Vasterman

First published in the Dutch magazine Massacommunicatie, September 1995. IN DUTCH 

Abstract

In this article the author tries to define the concept ‘media hype’ in the sense of news storms. His goal is to develop a theoretical framework for identifying and researching these media phenomenon. The most important questions are:
What are the characteristics of a media hype and in what is the difference between these news waves and the regular daily coverage of the media?
Is it (still) possible to make a distinction between ‘hype news’ and ‘real’ news?
Are there different kinds of media hypes and in what kind of patterns do they unfold? Are there similar phases in each publicity wave? What are the positive or negative results of a news craze? In this article Peter Vasterman explores the area.

woensdag 23 augustus 1995

Media hypes. Een theoretisch kader voor het analyseren van publiciteitsgolven


Peter Vasterman

Gepubliceerd in Massacommunicatie nummer 23


Inleiding
In dit artikel wordt een poging ondernomen om het begrip media hype nader te definiëren. Het doel is het ontwikkelen van een theoretisch kader voor het identificeren en onderzoeken van dergelijke mediaverschijnselen.
Belangrijkste vragen daarbij zijn:
  • Wat is kenmerkend voor een media hype en in welk opzicht onderscheiden media hypes zich van de reguliere berichtgeving?
  • Valt er een onderscheid te maken tussen hype nieuws en ‘echt’ nieuws?
  • Welke soorten media hypes of publiciteitsgolven zijn er en welke kenmerken vertonen ze? Zijn er fasen te onderscheiden in het verloop van een publiciteitsgolf.
  • Wat zijn de positieve of negatieve effecten van hypes? Dit artikel is bedoeld als een eerste terreinverkenning.

zaterdag 19 augustus 1995

The Hollywood Plague and Ebola

Albion Monitor /Commentary
  
Albion Monitor August 19, 1995 (http://www.monitor.net/monitor)

The Hollywood Plague 

by Peter Vasterman

In May, the Ebola virus struck Zaire, killing 170 before it was contained. In covering the story, the media often mixed fact with fiction, aided with footage from the newly-released movie, Outbreak. Although Dutch journalist and media critic Peter Vasterman describes European press coverage, American reports were the same--or worse.

A sure way to boost sagging ratings

Only slow fragments of radio news reached his brain, still clouded by his regular morning headache. Then, suddenly, from the car radio: there was a breaking story about a new epidemic involving the deadly Ebola virus in Zaire. He turned up the volume. "Jeez," his mind raced, "that's the virus from the movie, Outbreak." He hadn't actually seen the movie--no time, since he began his new job as senior editor at Channel Two.
Even before he reached the television station, he knew his plans for that evening's broadcast. They'd open and close with frightening clips from Outbreak. In between, they would show new footage from Africa--if any was available--explained by some sort of Ebola expert. They'd find a professor somewhere. It would be great; pictures of all those people in orange space suits would be exciting and sure to boost sagging ratings!

He wrote the introduction, pecking at the keyboard with two fingers: "...It is so frightening, but at the same time so very unlikely that only a Hollywood scriptwriter could have dreamed up this story, but now it is really happening. While the film Outbreak about a mysterious virus that tries to wipe out humanity is doing extremely well at the box office, Zaire today became the scenery of a real virus explosion. Enough to give you the creeps too, tonight on Channel Two!"

For TV news producers, it was a dream come true

This was the scene in the newsroom at Channel Two in the Netherlands on Thursday evening, May eleventh. Likely similar events were taking place in every television newsroom around the world that day. For TV news producers, it was a dream come true: the top news story matched the plot of a hit film, currently playing worldwide. They could dress up their newscast with footage from the movie, provided--free, of course--by the motion picture studio.
There's just one little problem: the movie was about the fictitious "Motaba" virus, not Ebola, resulting in a disturbing mix of fact and Hollywood fiction. And although the press also relied heavily on Richard Preston's bestselling book The Hot Zone, describing efforts to contain an Ebola outbreak in Reston, Virgina, the "fabrication" of wrong quotes from the book caused another major distortion in the Ebola coverage. The media could not resist the temptation to tell the viewers that the nightmare had become reality in Zaire.

As planned, the current affairs program Today on Two shows clips from Outbreak. Viewers see images of an impenetrable green wilderness, sounds of the jungle, someone--or something--breathing heavily, and a sort of deep pounding on the ground. An American voice-over explains: "A monster, hidden since the dawn of time in the African rainforest, has been awakened by an approaching humanity. It is a killer without remorse, cold, logical, invisible. And now the monster is loose."

Because of movie sound effects, it is difficult to hear the scientist

Next clip: Army helicopters fly over a small American town as a voice barks harshly: "No one is allowed to leave this town!" Anchorman Rick Nieman continues his story: "...The movie Outbreak is based on a true story about an unknown ape virus with the name Reston that escapes by accident..." (Image: a cute little ape scratches a man's arm. ) "...threatening the whole world population, but fortunately that remains fiction." (Image: the man, apparently infected, collapses in his pet store, falling against large aquariums.)
After all this suspense, we suddenly see the Belgium professor Van der Groen in his lab. With his tanned and bearded face, the professor is probably the most sought-after European expert in the field of viruses because he discovered Ebola Zaire in 1976. Because of the sound of crashing aquariums, his first words are difficult to understand. He explains that people can be infected by the Reston virus--figuring in The Hot Zone--but that it is only life-threatening to apes. After all the clips from Outbreak that information is difficult to fit in the picture of a virus finishing human life on earth. Even more confusing must be the next line delivered by the anchorman: "But in the meantime in an outpost somewhere in Zaire the nightmare became a reality. The deadly Ebola virus killed already more than 170 people." (By the way: it's questionable to call a city like Kikwit with more than 600.000 inhabitants an "outpost.")

Back to the footage again: the viewers now see a small group of children following in an orderly fashion and a man walking with a bicycle, with an unknown destination. One wonders: is this new recent footage from Zaire or something from the image archives? A voice-over gives the information that "...the people from Kikwit were desperately running away from their homes, despite the strict quarantine policy." Back to professor Van der Groen who gives a contradicting statement: "The plan to isolate Kikwit was not carried out and it would be very difficult to do so, there are plans, however, to close the schools."

Back to a clip from the exciting movie

Today on Two continues with a quick historical background on the Ebola-virus: the outbreak in Marburg in 1967 and in Zaire in 1976. The statements by professor Van der Groen seem to calm the Today on Two reporters a little bit: you cannot get Ebola through the air, only through contact with a victims' fluids. The voice-over adds: "We don't have to be afraid of a worldwide epidemic like AIDS, Ebola's syndrome is much too direct." Whatever that last part of the sentence might mean, remains a mystery for the average viewer.
Van der Groen himself also fools the viewers by using an odd structure in his next statement: "HIV, that's a completely different virus, but if you ask me what is really dangerous, I would say Ebola and its friends the filoviruses, they are...little sheep compared to the HIV virus."

Today on Two reaches for a conclusion: "The chances for the Outbreak script to become a reality are very small." Nevertheless we go back to a clip from the exciting movie: "The most optimistic projection for the spread of the virus is this:" (images of a huge US map with some red dots), "24 hours" (more red dots), "36 hours'"(a whole lot more red dots), "48 hours" (the U.S. is now completely red). Sympathetic young anchorman Rick Nieman smiles to the viewers: "Fortunately it is not as bad as that. And now something completely different..."

Excerpts are quoted completely out of context

That same evening, Thursday May eleven, almost all news programs around the world carry stories about the Ebola virus in Zaire. In newscasts like the Nine O'clock BBC News, we see virus experts like Van der Groen explain that there is no proof whatsoever that this virus can become airborne, as is the case in the film Outbreak, and that the chances for an epidemic outside of Zaire are extremely small. Although some news programs like the Dutch NOS Journal describe Ebola as a "very contagious virus," the experts emphasize that the chance for an infection is quite small, because you clearly have to touch the victim's blood (vomit or feces) while the victim is dying.
All this panic is overdone. The victims are dying so fast that there is not a chance of infecting many people, for instance while traveling to one of the Western capitals. One Dutch expert thinks that even walking around in these famous orange space suits is not really necessary if you can organize a strict "barrier nursing." You cannot compare Ebola with AIDS, he says; it will extinguish very quickly in a natural way. "This means that the chances for transmission are too low to cause a real epidemic." The pharmaceutical industry is not interested in looking for a vaccine because the number of casualties is much too small to make such an investment worthwhile.

The next day, Dutch Channel Two shows a 1994 Canadian documentary, The Deadly Virus, about the "dreaded" Ebola fever. Before that,Today on Two summarizes events, and Ebola is identified again with lots of victims, infections by apes and--of course--people in space suits.

Excerpts from the documentary are quoted completely out of context. The experts in the documentary are talking about Reston, but the viewer thinks they are talking about Ebola 1995. Their claim that one of the animal keepers in Reston got infected, became ill, but managed to survive, is not true. The documentary deals largely with the events in Reston, a town near Washington D.C., where hundreds of apes were killed in 1989 because they were infected by an Ebola-like filovirus, now known as the Reston virus. Reston kills apes, but is not dangerous to human beings.

Nevertheless, the documentary ends with the pessimistic prediction that new viruses might be able to travel all over the world within 24 hours and are thus capable of causing a worldwide epidemic. The Reston virus was transmitted through the air. And if that happens, it might mean the end of humanity.

That threat was at the center of the whole media coverage following the events in Zaire, in which clear distinctions were not made between the different filoviruses: Marburg (1967), Ebola Zaire (1976), Reston (1989), and--of course--the fictitious virus in Outbreak.

Quotes were fabricated

Newspaper coverage in Europe was divided. Some of the media supported fears of a very contagious virus that can completely destroy humanity. Other papers presented informative stories with many statements from virus experts, putting this virus in its perspective.
A good example of this "two-sided" coverage can be found in the Dutch national newspaper Trouw, May 11. Headline: "Fear for Outbreak Epidemic Deadly Virus in Zaire." In his article, mainly based on press agency material, the reporter quotes from the book ( called a "thriller") The Hot Zone, by journalist Richard Preston: "A dangerous virus from the rain forest is not more than 24 hours away by plane from any part of the world. The Ebola virus can do in ten days what the AIDS virus needs ten years for."

Another quote from The Hot Zone appeared the next day in the same newspaper: "Just like the AIDS virus, Ebola is not very contagious." The science reporters probably haven't read Preston's book; if they had, they would have discovered that these specific--and most well-known--quotes do not exist.

The two parts of the quote can be found in The Hot Zone, but there are at least thirty (!) pages between the two sentences. The first sentence is: "An active virus from the rain forest can travel by airplane within 24 hours to every city in the world." (From the Dutch translation, p.30.) The second sentence is: "From the moment Ebola reaches your blood circulation you're doomed to die. You cannot fight Ebola like a common cold. Ebola does in ten days what AIDS needs ten years for." (Page 63, Dutch translation.) In the book, it is perfectly clear that this last sentence relates to the syndrome of a patient infected by the Ebola virus and not to the worldwide spread of the virus.

A Dustin Hofmann film fuels fears of a new killer to rival AIDS

The question is: who fabricated this "new" quote from Preston? Hunting through the messages of the different press agencies on May 10, the day before, gives some clues. One of the first messages (headline: "Ebola Virus can be Deadlier Than HIV") comes from the German DPA (Deutsche Presse Agentur) and contains several quotes from The Hot Zone: "A dangerous virus from the rain forest is not more than 24 hours away by air from any part of the world." And after some other sentences: "The Ebola virus cannot be got rid of like a cold. It does in ten days what AIDS needs ten years for." The report also gives very alarming statements like: "Ebola is much more infectious than the HIV which causes AIDS."
British Reuters also tends to sound the alarm: "An epidemic more gory than AIDS...But experts say its victims turn to mush too quickly to spark a global plague...While the symptoms surpass any horror movie, the release in Britain of a new Dustin Hofmann film chronicling a devastating viral epidemic has fueled fears of a new killer to rival AIDS."

It must be said that Reuters also distributes a lot of reports containing accurate information in which experts say it is wrong to compare Ebola to AIDS. Another source for the Dutch news program could also have been The Times, being one of the first media on May 10 to report on the Ebola epidemic that "some strains can be transmitted in the air." The Times reporter also quotes from Preston: "Easy travel makes it possible that viruses such as Ebola and Marburg will escape from their home range and spread around the world." To increase the alarm, he adds: "Health experts fear it could cut a swath through densely-populated Europe and America, making AIDS 'look like a common cold.'" Needless to say, there is a difference between people traveling by air and a virus that can be transmitted by air.

Probably these quotes in the very first reports on the Ebola outbreak strongly influenced the way reporters all over the world covered the story. It took a few days before newspapers and TV stations came up with accurate background information and experts explaining the real dangers. In the meantime, the number of casualties went down instead of up, from 200 back to 30, then rising again to a 100, ending at about 170.

What will the average viewers remember?

As far as can be discovered, there has been only one newspaper, Die Zeit, May 19, in which a microbiologist writes seriously about the events in the film Outbreak, where the main point is a mutation of an ape virus into a virus deadly for human beings. Jan ter Meulen from the Bernhard-Nocht-Institut in Hamburg says that theoretically it is possible that an Ebola virus could mutate and develop new qualities, but this process only takes place when there is a selection advantage. With Ebola that is not the case; this virus seems to possess a very strong genetic stability and hasn't changed at all the past 20 years. "On the one hand, this virus is very well adapted to its natural host--that is why it is so very stable--on the other hand, it kills people so quickly that a selection of mutant is impossible."
A mutation of this virus during an epidemic among a population is very unlikely. Furthermore, never has any virus changed its way of transmission.

It would be very interesting to investigate what the average viewers remember about the outbreak. Would they know that Ebola cannot develop into an epidemic like AIDS, because people are dying too fast? That Ebola can be transmitted by an airplane but not in the air? Probably they'll tell quite another story: "Yeah, it was the same virus as in the movie, Outbreak, and it's a good thing they got it contained: it could have killed everybody in the world."

In reality, an epidemic did sweep the world in May. Only this disease hit only newsrooms, and its primary symptom was blurred judgement: not always was the distinction between fact and Hollywood fantasy made clear.

Peter Vasterman is a professor at the Dutch School of Journalism and Communication in Utrecht. His main area is researching mediahypes.

Albion Monitor August 19, 1995 (http://www.monitor.net/monitor)
All Rights Reserved.

Contact rights@monitor.net for permission to reproduce.


Front Page