dinsdag 25 juli 2017

Het digitale schandaal als vorm van eigenrichting

Cahiers Politiestudies (ISSN: 1784-5300)
Jaargang 2017
43. Eigenrichting
May 10, 2017

Abstract: Het digitale schandaal als vorm van eigenrichting

“Schandalen zijn openbare terechtstellingen, maar zonder procedure, zonder formele regels
van bewijsvoering en bestraffing, zonder institutionele afhandeling” (De Swaan, 1996).

De sociale media zorgen voor een verandering van het schandaal als maatschappelijk proces waardoor het element van eigenrichting wordt versterkt. Het is voor iedere burger mogelijk geworden om normovertredingen vast te leggen, aan te klagen, via sociale netwerken te verspreiden en zo brede verontwaardiging te mobiliseren. Dat zorgt voor een ‘democratisering’  van de schandalisering, niet alleen wat de aanbrenger maar ook wat de aangeklaagde betreft.
Gingen schandalen vroeger uitsluitend om publieke personen tegenwoordig kunnen ook ‘gewone’ mensen bij een vastgelegde normovertreding object worden van een schandaal. De mogelijkheden (affordances) die sociale netwerken bieden werken golven van negatieve aanvallen (twitterstorms) op één persoon in de hand. Het is schandaal wordt zo nog veel sterker een vorm van eigenrichting: een openbare terechtstelling, maar dan zonder de gebruikelijke procedures die een eerlijke rechtsgang waarborgen. Een themanummer over eigenrichting

Peter Vasterman

Conferentie n.a.v. dit themanummer over Eigenrichting op donderdag 28 september 2107
Avans Hogeschool
Onderwijsboulevard 215
Den Bosch
Zaal OX 114

Cahiers op de Campus is een initiatief rondom de Cahiers Politiestudies (CPS) waarbij een breed publiek van wetenschappers, beleidsmakers en politiepersoneel de mogelijkheid krijgt kennis te maken met de Cahiers en de besproken vraagstukken. Naar aanleiding van het verschijnen van het themanummer over eigenrichting van het Cahier Politiestudies (nummer 43) organiseert CPS  samen met  de Stichting Maatschappij en Veiligheid en Avans hogeschool in  op 28 september 2017 aan de Onderwijsboulevard 215 in Den Bosch  (zaal OX 114) weer een 'Cahier op Campus'.


Tijdens deze studiemiddag onderzoeken we wat niet alleen wat vandaag de dag onder eigenrichting wordt verstaan, maar ook welke vormen van eigenrichting breed worden veroordeeld en welke vormen geaccepteerd lijken te worden.
 






dinsdag 20 juni 2017

Van nieuws over bosbranden krijg je bosbranden

NPO RADIO 5 20 juni 2017 

In deze droge tijd zijn bosbranden een reëel gevaar. Erover berichten soms nog gevaarlijker. Zogenaamde copycats zien in dergelijke nieuwsberichten juist een uitdaging om juist een sigaretje op te steken. Tom praat over copycatgedrag met onderzoeker Peter Vasterman

Zie copycat en de media onderzoeksrapport

zaterdag 8 april 2017

‘Vechtpartij in Arnhem legt vooral vooroordelen bloot’ Homohaat

NRC Handelsblad 8 april 2017

Een gevecht in Arnhem werd wereldwijd nieuws als ernstige homohaat.
Waarom was er geen ruimte voor een alternatieve lezing?
Lees hier verder

woensdag 1 maart 2017

Wat gebeurt er in ons hoofd als wij nepnieuws lezen?

Radio 1 

Wat gebeurt er in ons hoofd als we nepnieuws lezen en wat kunnen we er tegen doen? Met Damiaan Denys (psychiater UvA) en Peter Vasterman (mediasocioloog UvA). Woensdag 1 maart 2017, 13:06 uur

Interessant artikel van Mischa Coster van Grey Matters over De psychologie van nepnieuws. Dit zal je niet geloven… Hoe nepnieuws werkt in ons brein. In Marketingfacts  7 maart 2017  

zondag 12 februari 2017

Onderzoeksjournalistiek: erop uit, aanbellen, contacten leggen

Bonnetjesaffaire

Het boek over de bonnetjesaffaire van onderzoeksjournalist Bas Haan is spannend, en bevat een belangrijke les: ook in het digitale tijdperk heeft de klassieke jacht op de feiten nut.

Peter Vasterman

Recensie NRC Handelsblad 10 februari 2017


Niet weer het bonnetje van de Teevendeal! Na al die publicaties en reportages, commentaren, Kamerbrieven, Kamerdebatten, de twee rapporten van de commissie Oosting (bij elkaar 735 pagina’s) en het vertrek van drie VVD-bewindslieden én de Kamervoorzitter, is er ook het boek De rekening voor Rutte van Nieuwsuur-journalist Bas Haan. Liggen alle details van dit schandaal al niet al heel lang op straat?

De verschijning van het boek eind januari leidde bij wijze van nabrander alsnog tot het vertrek van minister van Veiligheid en Justitie Van der Steur, de opvolger van Opstelten die al eerder was gestruikeld over het bonnetje. Haan had de hand weten te leggen op de e-mail met tekstsuggesties die Kamerlid Van der Steur aan minister Opstelten op de dag van diens aftreden stuurde voor de beantwoording van de 99 Kamervragen over het bonnetje. En daaruit bleek dat het Kamerlid tot over zijn oren in de doofpot zat, terwijl – ironisch genoeg – op het moment dat hij de e-mail schreef op het Ministerie bekend was dat het bonnetje dan toch was opgedoken in back-ups van oude bestanden.

Volmondig ja

Is het de moeite waard om het hele verhaal nog eens opnieuw te gaan lezen in dit boek, dat een stortvloed bevat aan details, namen en verwikkelingen? Het antwoord is volmondig ja, want het is niet alleen een spannend verhaal – dat overigens begint met een prachtige filmscène die bijna te mooi is om waar te zijn – het boek valt ook te lezen als een fijne inspiratiebron voor onderzoeksjournalistiek. Met als diepere laag de complexe interactie tussen de journalist en zijn tegenspelers, ministers, staatssecretarissen, topambtenaren, et cetera, die weer omringd worden door een cordon van adviseurs, voorlichters en woordvoerders. Met daaromheen de bredere kring van ambtenaren, OM-medewerkers, en andere betrokkenen die bereid zijn om al dan niet off the record informatie te delen. Soms omdat ze zich zorgen maken over de integriteit van het openbaar bestuur, soms omdat ze van hogerhand de schuld krijgen voor het ontbreken van informatie.

zondag 21 februari 2016

De Hype Cycle van journalistieke innovatie


Inleiding t.g.v. de lustrumconferentie van de Master Journalistiek van de UvA op 19 februari 2016. 

Peter Vasterman

In 1993 was internet een knipperende Unix cursor, waar je allerlei ingewikkelde commando’s op los moest laten. Daarna kwam Gopher, en in 1995 het World Wide Web. In 1996, nu precies twintig jaar geleden gaf ik samen met Francisco van Jole een presentatie in De Balie over de betekenis van internet voor een zaal vol journalisten. (ik demonstreerde de zoekmachine, nieuwsgroepen en de website van CNN). Toen hadden we al een discussie over de al dan niet negatieve gevolgen voor de journalistiek.

Daarna ging het hard, met het WWW en de vele nieuwe toepassingen, de website, email, weblogs, user generated content, Web 2.0, en de sociale media: Facebook, Instagram, Pinterest, Whatsapp en Twitter. En niet te vergeten de ipad, de smartphone en de vele apps. In de tussentijd stortte de –betaalde- journalistiek behoorlijk in; dalende oplagecijfers, dalende advertentie inkomsten en de opmars van gratis nieuws op de app.

Er is in de afgelopen twintig jaar heel wat af gediscussieerd over de toekomst van de journalistiek en wat de klassieke journalistiek, in de VS legacy journalism genoemd, zou moeten doen in het digitale tijdperk. Een telkens terugkerend mantra daarin is de stelling dat de journalistiek, en met name de dagbladsector een conservatief bolwerk is dat niet of veel te laat reageert op nieuwe digitale ontwikkelingen, waardoor de boot voortdurend wordt gemist. En als er wel iets werd ondernomen, heette het “een defensieve innovatie.”

Mijn stelling hier vandaag is tegenovergesteld: de journalistiek heeft juist voortdurend –als verblinde angsthazen-  te veel de oren laten hangen naar de fraaie, onweerstaanbare verhalen van de nieuwlichters met hun digitale kastelen in the cloud. En soms met rampzalige gevolgen, honderden miljoenen zijn door verkeerde investeringen, mislukte lanceringen en zinloze overnames in rook opgegaan. Het kan toch geen toeval zijn dat zo’n beetje de hele dagbladsector, uitgezonderd TMG van de Telegraaf in handen is van relatief bescheiden Belgische krantenuitgevers? Overgenomen uit de leeggezogen boedel van private equity ‘sprinkhanen’ zoals Apax en Mecom. Dat zagen we in 1996 niet aankomen.

vrijdag 22 januari 2016

Hoe in de vluchtelingencrisis de balans zoekraakt in de media

Al maanden staan kranten en nieuwsbulletins bol van berichtgeving over de vluchtelingenstroom. Wakkeren media daarmee de angstgevoelens bij de burgers aan, zoals critici beweren?




dinsdag 24 november 2015

Een warrige worsteling met subjectiveit en objectiviteit in de journalistiek


De komende weken worden op DNR de hoofdstukken uit het boek Journalistieke Cultuur in Nederland gerecenseerd. Peter Vasterman bespreekt vandaag hoofdstuk 6: De revanche van de subjectieve ervaring: personalisering in de geschreven journalistiekVasterman vraagt zich af of studenten in dit hoofdstuk wel een goed beeld krijgen van het nut en de functie van journalistieke objectiviteit.

Objectiviteit in de journalistiek, het meest mishandelde stukje theorie. Deel 2.


Bespreking Hoofdstuk: 6 De revanche van de subjectieve ervaring

Personalisering in de geschreven journalistiek door Frank Harbers


Hoewel dit hoofdstuk van Frank Harbers (universitair docent journalistiek in Groningen) in het boek voorafgaat aan dat van zijn collega Marcel Broersma over journalistieke objectiviteit is het er eerder een vervolg op. Het ‘objectiviteitsregime’, uitgebreid besproken door Broersma, wordt uitgedaagd door de opkomst van de personalisering in de journalistiek, door Harbers neergezet als de “revanche van de subjectieve ervaring.” Die revanche is kennelijk nodig want de meer subjectieve vertelvormen in de journalistiek zouden in het recente verleden zijn uitgebannen door de dogmatiek van het objectiviteitsregime.

Harbers signaleert de opkomst van een meer subjectieve journalistiek met als boegbeelden Luyendijk, Wijnberg en vooral Grunberg. Hij zet net als Broersma het objectiviteitsregime (zie mijn bespreking op DNR) niet alleen bijzonder negatief neer –zoals ook al blijkt uit de term ‘regime’, maar ook buitengewoon karikaturaal. In de argumentatieleer bekend als de stropopredenering.

Opvallend is dat de auteur voortdurend de leidende vorm gebruikt als het over het objectiviteitsregime gaat, nergens komen auteurs, journalisten of wetenschappers aan wie zijn uitspraken over objectiviteit kunnen worden toegeschreven. Ook in zijn literatuurlijst ontbreekt ieder spoor van de dogmatici van het objectiviteitsregime. De critici van objectiviteit daarentegen komen uitgebreid aan het woord; vooral Luyendijk en Wijnberg kunnen rekenen op een hagiografische behandeling. Daarbij worden alleen programmatische, of zo men wil pamflettistische teksten geciteerd, zonder te kijken naar wat deze auteurs daadwerkelijk doen met hun visies.  

Hoewel hij in het begin nog -verwijzend naar Broersma- schrijft “dat het binnen de journalistiek niet om objectiviteit als absoluut filosofisch ideaal gaat, maar om een pragmatische vertaling daarvan in normen als onafhankelijkheid, onpartijdigheid en afstandelijkheid”, zet hij later net als Broersma weer het beeld neer dat het objectiviteitsregime zou claimen de absolute waarheid te brengen. Het objectiviteitsregime wekt volgens Harbers “de suggestie dat het wereldtoneel onafhankelijk van onze normen, waarden en eerdere ervaringen op eenduidige wijze te beschrijven is.” Even later, verwijzend naar Luyendijk, stelt de auteur: “Het idee van een objectieve en algemeen geldige representatie van de werkelijkheid wordt daarmee afgewezen.” 

Maar nergens onderbouwt de auteur dat de aanhangers van objectiviteit inderdaad claimen de “absolute waarheid” te brengen of “een coherent en eenduidig beeld” van de werkelijkheid, “onafhankelijk” van de voorkeuren van de waarnemer. Hier krijgt het objectiviteitsdenken weer de absolute waarheidsclaim in de schoenen geschoven, terwijl het hoofdstuk nota bene begint met een instemmende verwijzing naar de constatering van collega Broersma dat het in de journalistiek niet zozeer gaat om een “ontologische categorie (de dingen kunnen zien zoals ze zijn), maar als een epistemologische  hoe komt journalistiek tot geldige kennis over de werkelijkheid?”

Als Harbers eens gekeken had naar bijvoorbeeld de Journalistieke Canon van Hugo Arlman uit 2005 of naar de Code van het genootschap van hoofdredacteuren (toch het bolwerk van het objectiviteitsregime) dan had hij kunnen zien dat objectiviteit wordt gedefinieerd als methode om tot betrouwbare uitspraken over werkelijkheid te komen.

 In een stropopredenering kan deze karikatuur vervolgens worden makkelijk worden aangepakt, want wie durft in dit postmoderne tijdperk nou nog te verkondigen de waarheid in pacht te hebben? Harbers verwijst instemmend naar Luyendijk en stelt vast dat “het streven naar objectiviteit zich los heeft gezongen van de manier waarop onze huidige maatschappij in elkaar zit. Als direct gevolg hiervan heeft de journalistiek een groot deel van het lezerspubliek van zich vervreemd.” 

Deze stelling wordt uitgewerkt in de paragraaf: “Waarheid en werkelijkheid in een postmoderne samenleving”. Er is volgens Harbers sprake van “een culturele verschuiving, waarin het rationeel positivistische perspectief op kennis en werkelijkheid aan autoriteit heeft ingeboet.” Verwijzend naar Liesbet van Zoonen schrijft hij “dat er sprake is van een tanend vertrouwen in de traditionele kennisinstituties en hun epistemologische assumpties. (…) Het idee dat objectieve kennis een illusie is, en dat feiten en waardeoordelen, evenals informatie en subjectieve ervaring, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt steeds breder gedeeld.” 

Hier duikt de stropop weer even op in de vorm van objectieve kennis als illusie, maar sinds alle discussies over waardevrije wetenschap sinds de jaren zestig zijn er weinig wetenschappers meer over die claimen de absolute waarheid te vertellen. Het klopt inderdaad dat het vertrouwen in de kennisinstituties is afgenomen. De burger is hoger opgeleid, mondiger en dankzij Google beter geïnformeerd dan ooit. En de strijd om de feiten is heftiger dan ooit, of het nu gaat om de klimaatverandering of de noodzaak van HPV-vaccinaties. Er is inmiddels zelfs een hele –duurbetaalde- PR-industrie ontstaan met als enige doel twijfel zaaien over de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.

Bruno Latour, zo ongeveer de uitvinder van het ‘deconstrueren’ van de ‘constructie’ van wetenschappelijke feiten constateerde in 2003 al verontrust dat zijn wapens met “our trademark, easy to recognize, still burnt in the steel: Made in Criticalland” - in verkeerde handen waren gevallen. Namelijk in die van de complotdenkers die iedere feitelijke uitspraak proberen te ontmaskeren als een belangengebonden bedenksel dat net zo veel waard is als ieder ander. Volgens Latour moeten we ons niet afkeren van de feiten, maar juist dichter bij de feiten proberen te komen. 

Deze hele discussie over de maatschappelijke effecten van het constructivisme komt jammer genoeg niet aan bod in dit hoofdstuk. Harbers baseert zich vooral op Ulrich Beck (Risk Society) en Anthony Giddens, wier invloedrijke boeken dateren van jaren vóór de discussie die Latour met zijn stuk opriep. En op Liesbet van Zoonen (2012) die het begrip I-pistemology introduceerde om het verschijnsel te duiden dat steeds meer mensen de officiële kennisinstituties wantrouwen en kiezen voor hun eigen waarheid gebaseerd op hun persoonlijke ervaringen en opinies. 

Wie Harbers leest krijgt ten onrechte de indruk dat Van Zoonen dit een positieve ontwikkeling vindt en dat we die persoonlijke waarheid moeten herwaarderen. Maar dat is helemaal niet de positie van Van Zoonen, zij vraagt zich juist af hoe de kennisinstituties hun betrouwbaarheid kunnen handhaven te midden van al die persoonlijke waarheidsclaims. Gezag is niet meer vanzelfsprekend, maar moet verdiend worden. Daarnaast vraagt ze zich af welke ‘best practices’ er zijn: “for social and political actors trying to oppose the I-pistemological steamrollers of right-wing populism.” Want die populistische partijen in Europa spelen dankbaar in op deze ontwikkeling door zich te beroepen op de zogenaamde wil van het volk.

Frank Harbers daarentegen presenteert het tanend vertrouwen in wat hij noemt “rationeel-positivistische kennis” en de opkomst van “common sense kennis, gebaseerd op eigen ervaring en emotie” als een positieve ontwikkeling. Die ook zijn sporen na laat in de journalistiek waar personalisering en subjectivering in opmars zijn. Maar daar is het ‘objectiviteitsregime’ helemaal niet zo blij mee: “Echter, waar Beck positief gestemd is over dergelijke ontwikkelingen, geldt dit niet voor veel van de reacties binnen het journalistieke domein.” 

De gevestigde orde in de journalistiek dient deze subjectiviteit van persoonlijke ervaringen en emoties niet langer af te wijzen, want het objectieve regime is achterhaald, dàt is de centrale stelling van Harbers. Maar het probleem is –net als bij Broersma- dat de epistemologie van deze nieuwe benadering noch die van de klassieke journalistiek verder wordt onderzocht. Dus hoe zouden de studenten die dit hoofdstuk lezen dat dan moeten beoordelen? Hoe verhoudt zich de “subjectieve ervaring” tot de feiten en hoe kunnen we die verhouding beoordelen?

Harbers noemt een paar voorbeelden van Wijnberg, Luyendijk en Grunberg, maar geeft geen aanwijzing voor de beoordeling van rol van de subjectieve ervaring in het artikel. Ook maakt hij geen onderscheid tussen subjectieve elementen bij de productie (feiten vaststellen) en die bij de presentatie van de informatie (jezelf opvoeren in een stuk). Wel komt hij tot een -voor de meeste jonge lezers-  verrassende conclusie dat zowel Luyendijk als Wijnberg wel degelijk vasthouden aan het idee van “een zo coherent en afgerond mogelijke representatie van de wereld”, waarmee zij zich toch weer in het kamp van het objectiviteitsregime bewegen. Luyendijk pretendeert volgens Harbers zelfs dat hij “alsnog een heldere weergave van de complexe situatie in het Midden-Oosten weet te geven.” 

Gelukkig is daar nog Arnon Grunberg, die wel een radicale stap verder zet en voor wie elke beschrijving van de werkelijkheid geldt als “selectief, subjectief en daarmee ideologisch.” “De lezer krijgt een beeld van de werkelijkheid gezien door de ogen van Arnon Grunberg.” Sterker nog: hij eigent zich ook de belevingswereld van zijn bronnen toe door zich voor te stellen hoe het is om in hun schoenen te staan. Harbers worstelt wel met het waarheidsgehalte van deze teksten: “Het blijft onduidelijk hoeveel waarde er gehecht kan worden aan Grunbergs specifieke beschrijving en interpretaties van de werkelijkheid, omdat hij ze op andere plaatsen op ironische wijze ondermijnt.” 

Maar door die ironie ontmaskert Grunberg juist de waarheidsclaim van de reguliere journalistiek en laat hij zien “dat iedere representatie van de werkelijkheid geworteld is in een bepaalde ideologische positie.” Tja dat is ook een manier om het probleem van de betrouwbaarheid op te lossen: ik laat juist zien dat betrouwbare uitspraken niet bestaan. Maar deze positie eindigt wel bij een absoluut constructivisme en relativisme, iedere waarheidsclaim is evenveel waard. 

Niettemin ziet Harbers de personalisering van de journalistiek als “een serieus alternatief voor de bekende professionele standaard van het objectiviteitsregime.” Terwijl hij eerder aankondigt dat deze ontwikkeling niet gezien moet worden als vervanging van het objectiviteitsregime. Dat is nogal tegenstrijdig. 

“Deze vorm van journalistiek lijkt zich uit de marges naar het centrum van de mainstream journalistiek te bewegen,” schrijft Harbers, maar de afgelopen tien jaar hebben eerder een explosie van persoonlijke journalistiek laten zien, van Sunny Bergman, Patrick Lodiers, Jelle Brandt Corstius en Alberto Stegeman op tv tot en met Stella Braam, Joris van Casteren, Toine Heijmans en John Schoorl in de krant, om maar eens een paar namen te noemen. Als je de definitie breed neemt –columns- is persoonlijke journalistiek tegenwoordig all over the place. Je zou bijna denken: tijd voor een revanche van de klassieke objectiviteit. 


Leestips: