dinsdag 14 september 2021

De strijd tussen sekse en gender

Wat zijn de gevolgen als het verschil tussen man en vrouw alleen nog maar afhangt van hoe iemand zich voelt? Peter Vasterman bespreekt drie kritische titels over de opmars van genderidentiteit


14/19-09-2021: 13.000 Views 



Deze bespreking zou op 3 september verschenen zijn in NRC Boeken, maar werd op het allerlaatste moment na eerdere goedkeuring -"ontzettend goed stuk"- alsnog gecanceld. Voor deze online versie zijn enkele alinea's herschreven of uitgebreid.

Nieuwe transgenderwet
Binnenkort kan iedereen met een simpele handtekening op het gemeentehuis van geslacht veranderen. Dat is de kern van de nieuwe transgenderwet die de Tweede Kamer momenteel behandelt. Vroeger waren er strenge eisen zoals operaties, maar sinds 2014 volstaat een medische verklaring van ‘genderdysforie’: een conditie waarbij iemand lijdt onder de discrepantie tussen de eigen 'genderidentiteit' en zijn of haar geslacht. Ook die voorwaarde komt nu te vervallen, omdat het zelfbeschikkingsrecht alles overstijgt. Fysieke kenmerken spelen geen rol meer, het enige dat telt in de nieuwe wet is de ‘beleefde genderidentiteit’: of iemand zich man of vrouw voelt van binnen. 

Hoewel het een opmerkelijke stap is om een subjectief gevoel een objectieve juridische status te geven, bestaat er in de Kamer brede consensus dat deze nieuwe wet bijdraagt aan de emancipatie van de transgenders. Het gaat om de erkenning van een relatief kleine groep in de samenleving, maar deze nieuwe wet en het legitimeren van het concept 'genderidentiteit' heeft wel degelijk grote maatschappelijke gevolgen. Want als het gevoel doorslaggevend wordt voor het onderscheid tussen mannen en vrouwen, betekent dat de facto het eind van iedere sociale omgeving die nu alleen voor vrouwen of alleen voor mannen toegankelijk is. Maar er zijn nog veel meer negatieve gevolgen en die staan centraal in een reeks zogenaamde ‘genderkritische’ publicaties die het afgelopen jaar zijn verschenen. Daarmee betreden deze auteurs een waar mijnenveld want iedere kritiek op genderidentiteit geldt binnen de consensus als een directe aanval op transgender personen zelf en dus als verwerpelijke ‘transfobie’.

Deplatforming en intimidatie
Kathleen Stock (1972), de hoogleraar Filosofie aan de universiteit van Sussex die dit voorjaar Material Girls: Why Reality Matters for Feminism publiceerde, kan daarover meepraten. Begin dit jaar nog maakten zeshonderd collega-filosofen in een open brief bezwaar tegen haar benoeming tot Officer of the Order of the British Empire vanwege haar in hun ogen ‘transfobe’ ideeën. Voor Stock geen verrassing want na een oproep in 2019 had ze tientallen meldingen binnengekregen van wetenschappers die net als zij te maken hadden verschillende vormen van deplatforming en intimidatie.  

Dat de academische vrijheid onder druk staat als gaat om genderissues heeft ook de Canadese Debra Soh (1990) ervaren, auteur van het vorig jaar verschenen boek The End of Gender. Debunking the Myths about Sex and Identity in Our Society. Ze deed als neurowetenschapper en seksuoloog onderzoek naar de biologische determinanten van gendergedrag, maar koos voor een journalistieke carrière toen bleek dat inmiddels tal van onderwerpen en onderzoeksterreinen tot taboe waren verklaard en zij ook te maken kreeg met beschuldigingen van transfobie. 

De derde auteur, Helen Joyce (1969), gepromoveerd wiskundige en nu chef bij The Economist, heeft misschien wel het meest kritische boek van de drie geschreven: Trans. When Ideology Meets Reality. Er was dan ook geen enkele uitgever in de VS die een Amerikaanse uitgave aandurfde. Trans leest als een grote aanklacht tegen wat zij noemt de ‘genderidentiteitsideologie’, die niet alleen schade toebrengt aan de maatschappelijke positie van vrouwen, maar die ook verstikkende effecten heeft op wetenschap, journalistiek en maatschappelijke organisaties. Joyce benadrukt net als de andere twee auteurs dat het er niet om gaat om transgenders en hun keuzes te bekritiseren, maar om het ter discussie stellen van de 'genderideologie' die transactivisten aan anderen willen opleggen. Hun boeken zijn dan ook geen pleidooi tegen transrechten, de wettelijke bescherming van transmensen tegenover discriminatie.  

Kathleen Stock geeft in haar boek een conceptuele analyse van het debat, terwijl Debra Soh de discussie benadert vanuit de seksuologie en wat er op grond van onderzoek bekend is over de invloed van biologische sekse op gedrag, seksuele oriëntatie en 'genderidentiteit'. Haar boek heet niet voor niets The End of Gender, want volgens haar is gender niet te definiëren als louter een sociale constructie, maar heeft gender (in de betekenis van mannelijke en vrouwelijke eigenschappen en gedrag) altijd wortels in de biologie. 

Genderidentiteit los van biologie
De drie auteurs proberen biologische sekse –de ‘werkelijkheid’ uit de twee titels- terug te brengen in de discussies over gender, zonder te vervallen in een klassiek soort biologisch determinisme dat stelt dat al het mannelijk of vrouwelijk gedrag te herleiden is tot biologie. Want dat was nou juist waar de feministen van de tweede golf –vanaf de jaren 60 - tegen ten strijde trokken, onder het motto van Simone de Beauvoir in Le Deuxième Sexe: “je bent niet als vrouw geboren, maar je wordt tot vrouw gemaakt.” 


De genderidentiteitstheorie heeft dat idee een hele andere invulling gegeven. Man of vrouw zijn staat los van biologische sekse, los van maatschappelijke omstandigheden en los van socialisatie: wie je bent wordt bepaald door je 'genderidentiteit', een innerlijke en onveranderlijke essentie. Een soort ziel die ergens in het lichaam huist maar die ook weer los staat van dat lichaam. De toewijzing van gender bij de geboorte op grond van genitaliën is eigenlijk arbitrair, alleen jij zelf weet wie je van binnen werkelijk bent. Dat komt ook tot uitdrukking in het vereiste woordgebruik: meisjes zijn ‘mensen die bij de geboorte het geslacht vrouw toegewezen kregen’ (assigned female at birth, afgekort tot AFAB).

Bij sommige mensen strookt die innerlijke essentie niet met het mannelijk of vrouwelijk lichaam. Dan is er sprake van ‘genderdysforie’ en is transitie nodig. Dit is het bekende ‘geboren in een verkeerd lichaam’ verhaal waarbij die dysforie niet als psychische aandoening gezien mag worden. Sekse is in deze redenering net als gender een idee, een product van de Westerse samenleving die mensen alleen maar indeelt in mannen en vrouwen op basis van sekse, maar geen oog heeft voor al die andere genders. Sekse is niet binair, maar vormt een breed spectrum van tientallen identiteiten: man, vrouw, non-binair, queer, genderfluïde, pangender, etc. 

Tegenspraken 'transideologie'
De drie auteurs maken korte metten met dit niet te verifiëren constructivisme en concluderen dat het idee van een 'genderidentiteit' die los zou staan van het lichaam irreëel en onwetenschappelijk is – een ontkenning van de evolutieleer. Ook stellen ze tal van tegenspraken aan de kaak. Want als het vrouwelijk lichaam er niet meer toe doet –een vrouwelijke 'genderidentiteit' volstaat om vrouw te zijn - waarom dan nog het lichaam aanpassen? En als socialisatie noch geslacht invloed heeft op die 'genderidentiteit', hoe ontstaat deze dan? En hoe weet je als kind wat typisch mannelijk of vrouwelijk gedrag is? Toch alleen door opvoeding en beïnvloeding door de omgeving? En als er sprake kan zijn van beïnvloeding hoe authentiek en onveranderlijk is dan nog die 'genderidentiteit'?  

Volgens zowel Stock als beide andere auteurs gebruikt de ‘transideologie’ juist de klassieke genderstereotypen om te bewijzen dat een kind eigenlijk trans is, waardoor die stereotypen juist weer worden versterkt. Meisjes behoren met poppen te spelen, jongens met auto’s. Volgens neurowetenschapper Soh bestaat niet zoiets als een transgender kind: door blootstelling aan verschillende niveaus van testosteron in de baarmoeder ontstaan niet alleen seksuele oriëntaties, maar worden ook meisjes geboren met meer mannelijk en jongens met meer vrouwelijk gedrag. Dat zijn normale variaties die niet betekenen dat ze zogenaamd geboren zijn in het verkeerde lichaam. En dus ook niet dat ze meteen op een traject richting medische transitie gezet moeten worden als ze vormen van gender onbehagen vertonen. Dat komt namelijk ook voor bij kinderen die later gewoon gay worden. Medische transitie verstoort die normale ontwikkeling. En is daarmee volgens Soh vergelijkbaar met de klassieke ‘conversie’ therapie, die tot doel had om homoseksualiteit te genezen. Dat is de reden waarom sommige LHB organisaties zich verzetten tegen deze behandeling van gay jongeren.

Behandeling genderdysforie

Volgens het Handboek voor de classificatie van psychische stoornissen (DSM-5) is sprake van genderdysforie als het ervaren onbehagen over het eigen lichaam ernstige vormen aanneemt. Een belangrijk criterium is de sterke wens om de kenmerken van de andere gender te krijgen en als die andere gender behandeld te worden. Volgens de auteurs is een goede behandeling daarvan van groot belang voor deze groep, maar niet met volledige transitie als onvermijdelijke uitkomst. Niet alleen is het vaststellen van genderdysforie problematisch, omdat alles afhangt van wat de persoon zelf zegt, er is ook nog vaak sprake van andere kenmerken zoals autisme, depressie en eetstoornissen. Bovendien gaat het ook nog eens om heel verschillende groepen met een uiteenlopende oorzaken voor de ervaren onvrede met de eigen sekse. 

Naast de eerder genoemde groep, in hoofdzaak jongens, die van jongs af aan atypisch gender gedrag vertonen en van wie de overgrote meerderheid daaroverheen groeit, zijn er nog twee andere groepen. De tweede groep bestaat uit heteroseksuele jongens en mannen die graag in transitie willen omdat ze seksueel opgewonden raken van het idee zelf vrouw te zijn. De wetenschappelijke term is autogynefilie, en dit kan soms ook leiden tot een sterke wens om daadwerkelijk van gender te veranderen. Dit fenomeen is totaal onbekend gebleven omdat transactivisten deze koppeling tussen seks en trans als ‘transfoob’ veroordelen en er amper wetenschappers over bleven die hiernaar onderzoek doen. Trans als parafilie  - een ongewone, atypische seksuele interesse of voorkeur- zou uiteraard afbreuk doen aan het klassieke ‘geboren in een verkeerd lichaam’ verhaal. 

Toename tienermeisjes bij genderklinieken
En dan is er nog een derde, geheel nieuwe groep: tienermeisjes die zich in de afgelopen jaren in groten getale zijn gaan aanmelden bij de genderklinieken. Dat is de groep waarover Joyce, Soh en Stock zich grote zorgen maken. Want de meeste meisjes hebben geen historie van gender atypisch gedrag of genderdysforie, maar ‘ontdekken’ in een korte tijd dat ze van binnen eigenlijk man zijn. Zij kunnen in de genderklinieken aan puberteitsremmers komen, daarna hormoonbehandelingen krijgen, eventueel gevolgd door operaties om een mannelijk uiterlijk te creëren. Het tot nog toe schaarse onderzoek doet vermoeden dat sociale beïnvloeding met name door sociale media een belangrijke rol speelt. Transgender zijn biedt jonge vrouwen de optie om uit het 'vrouw zijn' te ontsnappen en dat zegt iets over hoe zij de wereld ervaren. Vaak willen ze ook geen transitie tot man maar tot non-binair. Ook deze problematiek is onmiddellijk taboe verklaard door de transactivisten. 


En dat geldt ook voor de detransitioners wier bestaan wordt ontkend.  Dat zijn transmannen en transvrouwen die spijt krijgen van hun transitie en vaak verder moeten met een beschadigd lichaam. Voor Joyce was juist de ontmoeting met deze mensen aanleiding om haar boek te schrijven en zo te waarschuwen voor de risico’s van het alleen maar bevestigen van jongeren in het idee dat ze trans zijn. En de kans daarop is aanwezig als de behandelend psycholoog geen kritische vragen meer durft te stellen uit angst beschuldigd te worden van ‘conversietherapie’.

Negatieve gevolgen voor vrouwen
Net als Stock en Soh besteedt Joyce uitvoerig aandacht aan de negatieve gevolgen van de genderidentiteitsideologie voor vrouwen, want de consequentie van zelf bepalen of je vrouw bent is natuurlijk dat alle ruimtes die alleen voor vrouwen toegankelijk zijn, nu ook betreden kunnen worden door mannen met enkel een innerlijke vrouwelijke 'genderidentiteit'. Het gaat niet alleen om gescheiden wc’s, maar ook om kleedkamers, gevangenissen, blijf-van-mijn-lijf huizen en natuurlijk de sport. Schrijnend zijn de verhalen over veroordeelde seksdelinquenten die in vrouwengevangenissen weer in de fout gaan, zoals bijvoorbeeld in het geval van (de overigens niet geopereerde) transvrouw Karen White, ook bekend als David Thompson.

Dat de 'genderideologie' leidt tot het uitwissen van vrouwen als maatschappelijke categorie komt ook tot uitdrukking in het vereiste ‘inclusieve’ taalgebruik. Daarin dient het woord ‘vrouw’ te worden vermeden in iedere context waarin dat transpersonen zou kunnen buitensluiten. Zoals: ‘mensen met een baarmoeder.’ Dat is waar de internationale ophef rond Harry Potter auteur J.K. Rowling vorig jaar over ging toen ze twitterde: “People who menstruate.’ I’m sure there used to be a word for those people. Someone help me out. Wumben? Wimpund? Woomud?” Dat taalgebruik zorgt volgens Stock en Joyce voor een uitholling van het concept ‘vrouw’ in de betekenis van een groep met eenzelfde lichaam, dezelfde existentiële ervaring en een gedeelde maatschappelijke positie. 

Staatsreligie met godslastering wetten
Helen Joyce reconstrueert uitvoerig op welke manier de genderideologie in een korte tijd succesvol is geworden en doorgedrongen in allerlei sectoren van de samenleving, van de gezondheidszorg, de mensenrechtenorganisaties, de universiteiten, de journalistiek, tot en met de wetgevende macht. Dat gebeurt vooral top down door middel van rijkelijk gefinancierde campagnes en door middel van het onder druk zetten van iedereen die twijfelt aan deze nieuwe staatsreligie inclusief godslastering wetten.

Hoewel de drie titels grotendeels dezelfde analyse geven, verschillen ze in aanpak. Debrah Soh verweeft eigen ervaringen heel soepel met wetenschappelijke controverses en behandelt ook andere thema’s zoals gender neutraal opvoeden en de verschillen tussen mannen en vrouwen bij dating. Trans van Helen Joyce is een spannend journalistiek boek geworden met veel voorbeelden, terwijl Kathleen Stock in Material Girls juist met een hele zakelijke benadering stap voor stap de genderidentiteitstheorie uit elkaar rafelt en weerlegt. Stock gaat meer in discussie met haar tegenstanders –is het concept ‘vrouw’ ook op een andere manier te definiëren?- en probeert ook tegenstellingen te overbruggen.  

Meer onderzoek nodig maar taboe
Deze drie publicaties zijn goed en toegankelijk geschreven en uitvoerig gedocumenteerd door middel van al het beschikbare onderzoek. En toch is bij veel onderwerpen meer wetenschappelijke onderbouwing gewenst. Is er bij de snel groeiende groep meisjes sprake van genderdysforie of is hun streven naar transitie de uitdrukking van een totaal andere problematiek? Complicatie is dat onderzoek ontbreekt, omdat veel onderwerpen taboe zijn verklaard. Zo is onlangs nog in de VS een neurobiologisch onderzoek afgeblazen onder druk van transactivisten die stellen dat het zoeken naar een remedie voor genderdysforie kan leiden tot het beperken van toegang tot genderbevestigende behandelingen. 

Of de transgenderwet erdoor komt in Nederland is nog onzeker, maar in het buitenland, zoals in Engeland zijn vergelijkbare voorstellen inmiddels verworpen dan wel op de lange baan geschoven. Als er debat komt in Nederland -en dat staat nog zeer te bezien, gezien de geringe aandacht voor dit onderwerp - wordt het in ieder geval geen hamerstuk.