maandag 6 oktober 2014

Geweldsinflatie deel 2: De jacht op de herkomst van het cijfer dat Nederland schokte: 40,9 procent van alle meisjes is slachtoffer van ernstig seksueel geweld.

Geweldsinflatie: cijfers, definities en methoden in het rapport van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. DEEL TWEE 6 oktober 2014

Na mijn opiniestuk in NRC Handelsblad van 2juni 2014 over de onbetrouwbare en opgeblazen misbruikcijfers in het rapport Op goede grond, De aanpak van seksueel geweld tegen kinderen van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel reageerde Corinne Dettmeijer met dit stuk in NRC Handelsblad op 10 juni 2014: Minder erg seksueel geweld is ook erg, neem dat dan serieus.


Vervolgens ben ik op 18 juni in Deel 1‘Geweldsinflatie’ dieper ingegaan op de manier waarop de misbruikcijfers waren berekend, en met name het gegeven dat 40,9 procent van alle meisjes en 22,9 procent van alle jongens ooit slachtoffer zou zijn geweest van seksueel geweld. Geprojecteerd op alle minderjarige meisjes en jongens in Nederland leverde dat 39.900 meisjes en 22.400 jongens, bij elkaar 62.300 slachtoffers per jaar.

Op mijn verzoek stuurde Nationaal Rapporteur onderzoeker Suzanne Heerdink de berekening achter deze projectie op de hele bevolking (zie daarover deel 1). Maar nog steeds onduidelijk was hoe die 40,9 en 22,9 procent nu precies was berekend. In het oorspronkelijke onderzoek. Seksuele gezondheid in Nederland uit 2011, en in het artikel daarover van Stans de Haas[1] waren deze percentages niet te vinden.

In antwoord op mijn vragen schreef Verena Elders, communicatiemedewerker van de Nationaal Rapporteur: “Kortom: wij hebben de percentages (40,9% meisjes en 22,9% jongens) niet zelf herberekend (op het feit na dat we het gemiddelde hebben genomen van de 17- en 18-jarigen), maar zo ontvangen van Rutgers WPF.”

Het onderliggende onderzoek van RutgersWPF
Daarop besloot ik De Haas (senior onderzoeker bij RutgersWPF) een email te sturen met de vraag of zij mij de onderliggende onderzoeksgegevens kon toesturen. Stans de Haas was zo vriendelijk om mij de gebruikte tabellen van het onderzoek toe te sturen.


Zij benadrukte overigens dat zij “als parapluterm” bewust had gekozen “voor de term ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’ en niet voor ‘seksueel misbruik’ of ‘seksueel geweld.’ Ik kies voor 'seksueel grensoverschrijdend gedrag' om aan te geven dat het om een hele brede range aan gedragingen gaat. (...) Ik ben bijvoorbeeld van mening dat seksueel misbruik tegen kinderen onder de 16 jaar door iemand die minstens 5 jaar ouder is, iets fundamenteel anders is dan seksueel grensoverschrijdend gedrag van jongeren onderling. Om nog even terug te komen op uw vraag: bij de cijfers van 40,9% en 22,9% gaat het om meisjes en jongens die ooit in hun leven een vorm van fysieke of van niet-fysieke seksuele grensoverschrijding hebben meegemaakt, meestal gepleegd door een leeftijdgenoot.”

239 van 2436 antwoorden zijn positief
Uit bestudering van de data van Stans de Haas blijkt dat er gerekend is met een steekproef van 203 meisje van 17 en 18 jaar.[2] Zij hebben twaalf vragen moeten beantwoorden met als antwoordmogelijkheden: ‘nooit’ of ‘minstens een keer’ (ooit). 

Dat levert bij elkaar 203 maal 12 is 2436 antwoorden op. Daarvan zijn er in totaal 2197 negatief (‘nooit iets meegemaakt’) en 239 positief (‘minstens een keer’ meegemaakt), respectievelijk 90,2 en 9,8 procent. Opvallend is dus dat 90 procent van de vragen negatief uitvalt. Zie de onderstaande tabel.

Categorieën die hoog scoren zijn: zoenen (18,7%) , aanraking (25,2%), iemand liet geslachtsdelen zien (19,2%) en masturbatie zien (15,2%). Het probleem is alleen dat we hier niet uit kunnen halen hoeveel individuele respondenten dat zijn.

Hoe zijn de 239 positieve antwoorden verdeeld over die 203 meisjes? Daar geeft het onderzoek geen antwoord op. We weten dus alleen dat 18,7 procent van de meisjes ooit tegen haar wil is gezoend, maar niet hoeveel meisjes gezoend én aangeraakt zijn. Want het ene percentage (18,7%) mag niet opgeteld worden bij het andere (25,2%) vanwege dubbeltellingen. Is er een kleine groep die heel veel mee heeft gemaakt, of een grote groep heel weinig? Dat is de vraag waar het om gaat.

Vervolgens heb ik Stans de Haas gevraagd of ook is berekend hoe de gemelde incidenten zijn verdeeld over de steekproef. Het antwoord was:

“Wij kijken niet naar hoeveel positieve antwoorden meisjes geven. Dit omdat het aantal positieve antwoorden niet per se iets zegt over hetgeen meisjes hebben meegemaakt. Wel kan je zeggen dat als meisjes een vorm van seksueel grensoverschrijdend gedrag hebben meegemaakt ze vaak ook een andere vorm hebben meegemaakt. Er waren bijvoorbeeld 2 meisjes van 17 jaar die orale seks tegen hun wil hebben gehad. Dat staat in die eerder aangeleverde kruistabel. Ik heb net even gekeken in de data of die meisjes ook geslachtsgemeenschap tegen hun wil hebben gehad. Bij 1 van die 2 meisjes was dat het geval. En zo zal er meer overlap zijn tussen de verschillende vormen van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het voert te ver om dat hier nu verder uit te zoeken.”

Dat is vreemd, want kennelijk is er wel ergens berekend dat 40,9 van de meisjes op z’n minst op één vraag positief heeft gereageerd. Want dat is het cijfer dat de Nationaal Rapporteur Mensenhandel de wereld in heeft geslingerd en dat tot grote koppen heeft geleid in de media.

Ondanks mijn correspondentie met zowel Stans de Haas als Suzanne Heerdink van de Nationaal Rapporteur en ondanks een gedegen analyse van de beschikbaar gestelde onderzoeksdata heb ik nog steeds niet de herkomst van de 40,9 procent kunnen achterhalen.

De werkelijke cijfers per respondent
Maar we kunnen die 40,9 procent natuurlijk wel toepassen op de geleverde data, en dan is de conclusie dat 83 meisjes op minstens één van de 12 vragen ‘ja’ heeft gezegd. Er waren 239 positieve antwoorden, dus dat zou betekenen dat iedere respondent gemiddeld 2,88 keer een positief antwoord heeft gegeven (‘ooit een keer’ meegemaakt).

Als we dan de categorieën omrekenen naar personen ontstaat het volgende beeld:



12 Categorieën hands-on en hands-off geweld
Aantal meldingen
gemiddeld aantal respondenten
Percentage van N=203
iemand raakte me op een seksuele manier aan tegen mijn wil
51
18
8,73%
iemand liet mij zien dat hij/zij masturbeerde (zichzelf bevredigde)
40
14
6,85%
iemand zoende me tegen mijn wil
38
13
6,50%
iemand liet mij zijn/haar billen, penis, vagina of borsten zien
31
11
5,31%
aftrekken of vingeren (seks met de hand) tegen mijn wil
17
6
2,91%
iemand keek naar me, terwijl ik mij uitkleedde, naakt was, masturbeerde (mezelf bevredigde) of seks had.
15
5
2,57%
geslachtsgemeenschap (penis in vagina) tegen mijn wil
14
5
2,40%
iemand liet mij ongewild pornofoto’s zien
12
4
2,05%
orale seks (seks met de mond) tegen mijn wil
9
3
1,54%
iemand maakte een naaktfoto of seksfilmpje van mij
6
2
1,03%
anale seks (penis in anus) tegen mijn wil
3
1
0,51%
iemand liet een naaktfoto of seksfilmpje van mij aan anderen zien of stuurde dit aan anderen door
3
1
0,51%
Totalen
239
83
40,90%


Wat lezen we in deze tabel?
In de eerste plaats hoe klein de absolute aantallen zijn. In sommige categorieën staat maar 1 (!) respondent, dat is statistisch gezien te weinig om uitspraken te doen. En zelfs bij de categorie aanraking die de hoogste score heeft, namelijk 18 valt te betwijfelen of 18 respondenten voldoende zijn om de percentages te projecteren op 1.756.929 meisjes in alle leeftijden tot en met 18 jaar. De 18 meisjes vormen immers 0,0010084106% van het totaal aantal meisjes. Bij seks is dat zelfs: 0,0002768186%. Dat zijn 2 kinderen op een miljoen.

Omgerekend naar de steekproef komen we tot de volgende conclusies: 8,7 procent is wel eens ongewenst aangeraakt, 6,5 procent wel eens tegen haar wil gezoend. En 2,4 procent (5 meisjes!) hebben wel eens seks gehad tegen hun wil.

Dat zijn veel lagere percentages dan die in het rapport van onze Nationaal Rapporteur Mensenhandel die zoveel mediapubliciteit scoorden, onder meer met het cijfer dat 10 procent ervaring zou hebben met ongewilde geslachtsgemeenschap.

Welke conclusie kunnen we hier uit trekken?
De cijfers die de Rapporteur in de media breed heeft uitgedragen zijn dus niet alleen gebaseerd op zeer brede definities van ‘strafbaar’ seksueel geweld (door de onderzoeker ‘grensoverschrijdingen’ genoemd). Maar ook op methodologisch buitengewoon problematisch onderzoek. De belangrijkste tekortkoming is niet is onderzocht wat iedere respondent precies meegemaakt heeft. Is er een kleine groep die veel heeft meegemaakt en een grote groep weinig, dat blijft onduidelijk. Door alleen het cijfer 40,9 procent te gebruiken ontstaat snel de indruk dat alle meisjes ernstige vormen van geweld hebben meegemaakt.

En de slotsom is ook dat we nog steeds niet de onderliggende data hebben waarop die 40,9 procent gebaseerd is berekend.



[1] Stans de Haas: Seksueel grensoverschrijdend gedrag onder jongeren en volwassenen in Nederland. Tijdschrift voor Seksuologie (2012) 36-2, 136-145.
[2] De jongens laten we vanwege de leesbaarheid even buiten beschouwing, maar daar geldt hetzelfde voor.