Posts tonen met het label De Nieuwe Reporter. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Nieuwe Reporter. Alle posts tonen

dinsdag 24 november 2015

Een warrige worsteling met subjectiveit en objectiviteit in de journalistiek


De komende weken worden op DNR de hoofdstukken uit het boek Journalistieke Cultuur in Nederland gerecenseerd. Peter Vasterman bespreekt vandaag hoofdstuk 6: De revanche van de subjectieve ervaring: personalisering in de geschreven journalistiekVasterman vraagt zich af of studenten in dit hoofdstuk wel een goed beeld krijgen van het nut en de functie van journalistieke objectiviteit.

Objectiviteit in de journalistiek, het meest mishandelde stukje theorie. Deel 2.


Bespreking Hoofdstuk: 6 De revanche van de subjectieve ervaring

Personalisering in de geschreven journalistiek door Frank Harbers


Hoewel dit hoofdstuk van Frank Harbers (universitair docent journalistiek in Groningen) in het boek voorafgaat aan dat van zijn collega Marcel Broersma over journalistieke objectiviteit is het er eerder een vervolg op. Het ‘objectiviteitsregime’, uitgebreid besproken door Broersma, wordt uitgedaagd door de opkomst van de personalisering in de journalistiek, door Harbers neergezet als de “revanche van de subjectieve ervaring.” Die revanche is kennelijk nodig want de meer subjectieve vertelvormen in de journalistiek zouden in het recente verleden zijn uitgebannen door de dogmatiek van het objectiviteitsregime.

Harbers signaleert de opkomst van een meer subjectieve journalistiek met als boegbeelden Luyendijk, Wijnberg en vooral Grunberg. Hij zet net als Broersma het objectiviteitsregime (zie mijn bespreking op DNR) niet alleen bijzonder negatief neer –zoals ook al blijkt uit de term ‘regime’, maar ook buitengewoon karikaturaal. In de argumentatieleer bekend als de stropopredenering.

Opvallend is dat de auteur voortdurend de leidende vorm gebruikt als het over het objectiviteitsregime gaat, nergens komen auteurs, journalisten of wetenschappers aan wie zijn uitspraken over objectiviteit kunnen worden toegeschreven. Ook in zijn literatuurlijst ontbreekt ieder spoor van de dogmatici van het objectiviteitsregime. De critici van objectiviteit daarentegen komen uitgebreid aan het woord; vooral Luyendijk en Wijnberg kunnen rekenen op een hagiografische behandeling. Daarbij worden alleen programmatische, of zo men wil pamflettistische teksten geciteerd, zonder te kijken naar wat deze auteurs daadwerkelijk doen met hun visies.  

Hoewel hij in het begin nog -verwijzend naar Broersma- schrijft “dat het binnen de journalistiek niet om objectiviteit als absoluut filosofisch ideaal gaat, maar om een pragmatische vertaling daarvan in normen als onafhankelijkheid, onpartijdigheid en afstandelijkheid”, zet hij later net als Broersma weer het beeld neer dat het objectiviteitsregime zou claimen de absolute waarheid te brengen. Het objectiviteitsregime wekt volgens Harbers “de suggestie dat het wereldtoneel onafhankelijk van onze normen, waarden en eerdere ervaringen op eenduidige wijze te beschrijven is.” Even later, verwijzend naar Luyendijk, stelt de auteur: “Het idee van een objectieve en algemeen geldige representatie van de werkelijkheid wordt daarmee afgewezen.” 

Maar nergens onderbouwt de auteur dat de aanhangers van objectiviteit inderdaad claimen de “absolute waarheid” te brengen of “een coherent en eenduidig beeld” van de werkelijkheid, “onafhankelijk” van de voorkeuren van de waarnemer. Hier krijgt het objectiviteitsdenken weer de absolute waarheidsclaim in de schoenen geschoven, terwijl het hoofdstuk nota bene begint met een instemmende verwijzing naar de constatering van collega Broersma dat het in de journalistiek niet zozeer gaat om een “ontologische categorie (de dingen kunnen zien zoals ze zijn), maar als een epistemologische  hoe komt journalistiek tot geldige kennis over de werkelijkheid?”

Als Harbers eens gekeken had naar bijvoorbeeld de Journalistieke Canon van Hugo Arlman uit 2005 of naar de Code van het genootschap van hoofdredacteuren (toch het bolwerk van het objectiviteitsregime) dan had hij kunnen zien dat objectiviteit wordt gedefinieerd als methode om tot betrouwbare uitspraken over werkelijkheid te komen.

 In een stropopredenering kan deze karikatuur vervolgens worden makkelijk worden aangepakt, want wie durft in dit postmoderne tijdperk nou nog te verkondigen de waarheid in pacht te hebben? Harbers verwijst instemmend naar Luyendijk en stelt vast dat “het streven naar objectiviteit zich los heeft gezongen van de manier waarop onze huidige maatschappij in elkaar zit. Als direct gevolg hiervan heeft de journalistiek een groot deel van het lezerspubliek van zich vervreemd.” 

Deze stelling wordt uitgewerkt in de paragraaf: “Waarheid en werkelijkheid in een postmoderne samenleving”. Er is volgens Harbers sprake van “een culturele verschuiving, waarin het rationeel positivistische perspectief op kennis en werkelijkheid aan autoriteit heeft ingeboet.” Verwijzend naar Liesbet van Zoonen schrijft hij “dat er sprake is van een tanend vertrouwen in de traditionele kennisinstituties en hun epistemologische assumpties. (…) Het idee dat objectieve kennis een illusie is, en dat feiten en waardeoordelen, evenals informatie en subjectieve ervaring, onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, wordt steeds breder gedeeld.” 

Hier duikt de stropop weer even op in de vorm van objectieve kennis als illusie, maar sinds alle discussies over waardevrije wetenschap sinds de jaren zestig zijn er weinig wetenschappers meer over die claimen de absolute waarheid te vertellen. Het klopt inderdaad dat het vertrouwen in de kennisinstituties is afgenomen. De burger is hoger opgeleid, mondiger en dankzij Google beter geïnformeerd dan ooit. En de strijd om de feiten is heftiger dan ooit, of het nu gaat om de klimaatverandering of de noodzaak van HPV-vaccinaties. Er is inmiddels zelfs een hele –duurbetaalde- PR-industrie ontstaan met als enige doel twijfel zaaien over de uitkomsten van wetenschappelijk onderzoek.

Bruno Latour, zo ongeveer de uitvinder van het ‘deconstrueren’ van de ‘constructie’ van wetenschappelijke feiten constateerde in 2003 al verontrust dat zijn wapens met “our trademark, easy to recognize, still burnt in the steel: Made in Criticalland” - in verkeerde handen waren gevallen. Namelijk in die van de complotdenkers die iedere feitelijke uitspraak proberen te ontmaskeren als een belangengebonden bedenksel dat net zo veel waard is als ieder ander. Volgens Latour moeten we ons niet afkeren van de feiten, maar juist dichter bij de feiten proberen te komen. 

Deze hele discussie over de maatschappelijke effecten van het constructivisme komt jammer genoeg niet aan bod in dit hoofdstuk. Harbers baseert zich vooral op Ulrich Beck (Risk Society) en Anthony Giddens, wier invloedrijke boeken dateren van jaren vóór de discussie die Latour met zijn stuk opriep. En op Liesbet van Zoonen (2012) die het begrip I-pistemology introduceerde om het verschijnsel te duiden dat steeds meer mensen de officiële kennisinstituties wantrouwen en kiezen voor hun eigen waarheid gebaseerd op hun persoonlijke ervaringen en opinies. 

Wie Harbers leest krijgt ten onrechte de indruk dat Van Zoonen dit een positieve ontwikkeling vindt en dat we die persoonlijke waarheid moeten herwaarderen. Maar dat is helemaal niet de positie van Van Zoonen, zij vraagt zich juist af hoe de kennisinstituties hun betrouwbaarheid kunnen handhaven te midden van al die persoonlijke waarheidsclaims. Gezag is niet meer vanzelfsprekend, maar moet verdiend worden. Daarnaast vraagt ze zich af welke ‘best practices’ er zijn: “for social and political actors trying to oppose the I-pistemological steamrollers of right-wing populism.” Want die populistische partijen in Europa spelen dankbaar in op deze ontwikkeling door zich te beroepen op de zogenaamde wil van het volk.

Frank Harbers daarentegen presenteert het tanend vertrouwen in wat hij noemt “rationeel-positivistische kennis” en de opkomst van “common sense kennis, gebaseerd op eigen ervaring en emotie” als een positieve ontwikkeling. Die ook zijn sporen na laat in de journalistiek waar personalisering en subjectivering in opmars zijn. Maar daar is het ‘objectiviteitsregime’ helemaal niet zo blij mee: “Echter, waar Beck positief gestemd is over dergelijke ontwikkelingen, geldt dit niet voor veel van de reacties binnen het journalistieke domein.” 

De gevestigde orde in de journalistiek dient deze subjectiviteit van persoonlijke ervaringen en emoties niet langer af te wijzen, want het objectieve regime is achterhaald, dàt is de centrale stelling van Harbers. Maar het probleem is –net als bij Broersma- dat de epistemologie van deze nieuwe benadering noch die van de klassieke journalistiek verder wordt onderzocht. Dus hoe zouden de studenten die dit hoofdstuk lezen dat dan moeten beoordelen? Hoe verhoudt zich de “subjectieve ervaring” tot de feiten en hoe kunnen we die verhouding beoordelen?

Harbers noemt een paar voorbeelden van Wijnberg, Luyendijk en Grunberg, maar geeft geen aanwijzing voor de beoordeling van rol van de subjectieve ervaring in het artikel. Ook maakt hij geen onderscheid tussen subjectieve elementen bij de productie (feiten vaststellen) en die bij de presentatie van de informatie (jezelf opvoeren in een stuk). Wel komt hij tot een -voor de meeste jonge lezers-  verrassende conclusie dat zowel Luyendijk als Wijnberg wel degelijk vasthouden aan het idee van “een zo coherent en afgerond mogelijke representatie van de wereld”, waarmee zij zich toch weer in het kamp van het objectiviteitsregime bewegen. Luyendijk pretendeert volgens Harbers zelfs dat hij “alsnog een heldere weergave van de complexe situatie in het Midden-Oosten weet te geven.” 

Gelukkig is daar nog Arnon Grunberg, die wel een radicale stap verder zet en voor wie elke beschrijving van de werkelijkheid geldt als “selectief, subjectief en daarmee ideologisch.” “De lezer krijgt een beeld van de werkelijkheid gezien door de ogen van Arnon Grunberg.” Sterker nog: hij eigent zich ook de belevingswereld van zijn bronnen toe door zich voor te stellen hoe het is om in hun schoenen te staan. Harbers worstelt wel met het waarheidsgehalte van deze teksten: “Het blijft onduidelijk hoeveel waarde er gehecht kan worden aan Grunbergs specifieke beschrijving en interpretaties van de werkelijkheid, omdat hij ze op andere plaatsen op ironische wijze ondermijnt.” 

Maar door die ironie ontmaskert Grunberg juist de waarheidsclaim van de reguliere journalistiek en laat hij zien “dat iedere representatie van de werkelijkheid geworteld is in een bepaalde ideologische positie.” Tja dat is ook een manier om het probleem van de betrouwbaarheid op te lossen: ik laat juist zien dat betrouwbare uitspraken niet bestaan. Maar deze positie eindigt wel bij een absoluut constructivisme en relativisme, iedere waarheidsclaim is evenveel waard. 

Niettemin ziet Harbers de personalisering van de journalistiek als “een serieus alternatief voor de bekende professionele standaard van het objectiviteitsregime.” Terwijl hij eerder aankondigt dat deze ontwikkeling niet gezien moet worden als vervanging van het objectiviteitsregime. Dat is nogal tegenstrijdig. 

“Deze vorm van journalistiek lijkt zich uit de marges naar het centrum van de mainstream journalistiek te bewegen,” schrijft Harbers, maar de afgelopen tien jaar hebben eerder een explosie van persoonlijke journalistiek laten zien, van Sunny Bergman, Patrick Lodiers, Jelle Brandt Corstius en Alberto Stegeman op tv tot en met Stella Braam, Joris van Casteren, Toine Heijmans en John Schoorl in de krant, om maar eens een paar namen te noemen. Als je de definitie breed neemt –columns- is persoonlijke journalistiek tegenwoordig all over the place. Je zou bijna denken: tijd voor een revanche van de klassieke objectiviteit. 


Leestips:


maandag 23 november 2015

Objectiviteit in de journalistiek, het meest mishandelde stukje theorie

JOURNALISTIEKE CULTUUR IN NEDERLAND
De komende weken worden de hoofdstukken uit het boek Journalistieke Cultuur in Nederland gerecenseerd. Peter Vasterman trapt af met een kritische bespreking van hoofdstuk 8: Objectiviteit als professionele strategie. Vasterman vraagt zich af of studenten in dit hoofdstuk wel een goed beeld krijgen van het nut en de functie van journalistieke objectiviteit. 

Objectiviteit in de journalistiek, het meest mishandelde stukje theorie


Aflevering 1 in de serie besprekingen van hoofdstukken uit Journalistieke cultuur in Nederland, deze week hoofdstuk 8: Objectiviteit als professionele strategie. Nut en functie van een omtreden begrip. 


Volgens de auteur, Marcel Broersma (hoogleraar Journalistieke cultuur en media aan de Universiteit Groningen), is objectiviteit “een van de slechtst begrepen concepten in het maatschappelijke debat over journalistiek.” De veelgehoorde kritiek dat objectiviteit niet bestaat, is volgens Broersma ‘te kort door de bocht.” Natuurlijk bestaat objectiviteit niet in de zin van een directe afspiegeling van de werkelijkheid, maar – en dat is de kern van dit hoofdstuk- “journalistiek moeten we niet zozeer als descriptief, maar veeleer als een performatief discours beschouwen. Hier ligt de focus niet op de (al dan niet aanwezige) overeenkomst tussen berichtgeving en ‘de werkelijkheid’, maar op de persuasieve kracht van nieuws.” 

De benadering die in die in dit hoofdstuk centraal staat is dus dat het ‘objectiviteitsregime’ zoals Broersma dat noemt -de voorgeschreven set van professionele standaarden van de journalistiek- een strategie is om het publiek ervan te overtuigen dat datgene wat journalisten aan nieuws produceren ‘waar’ is. Door voortdurend uit te dragen dat hun nieuws waarheidsgetrouw is, zijn journalisten er in geslaagd om gezag te veroveren in de samenleving. Dat gezag is volgens Broersma niet zozeer gebaseerd op de feitelijke betrouwbaarheid van het nieuws, maar op de performatieve (overtuigende) kracht van de manier van vertellen: op de vorm en de stijl van het nieuws. Broersma bouwt met deze benadering voort op de Franse socioloog Bourdieu die al in de jaren zeventig schreef dat elk discours over de sociale wereld performatief is en altijd wensen, verwijten, aansporingen en opdrachten bevat. Tegenwoordig zouden we zeggen: iedere uitspraak over de werkelijkheid is geframed. 


In zijn hoofdstuk beschrijft Broersma dus vooral de ideologische functie van de journalistieke beroepsopvatting die hij voortdurend het ‘objectiviteitsregime’ noemt, een samentrekking waar een zekere negatieve connotatie uit spreekt. Het woord ‘regime’ verwijst niet bepaald naar een democratische bestuursvorm. Zo’n woord zet de toon (je zou bijna zeggen: het is ‘performatief’) en de studenten die dit hoofdstuk bestuderen moeten welhaast de indruk krijgen dat dit ‘objectiviteitsregime’ een handige strategische façade is die de media gebruiken om te verhullen dat ze eigenlijk helemaal niet zo objectief zijn. Dit sluit goed aan bij critici als Luyendijk die eindeloos herhalen dat objectiviteit niet bestaat en dat nieuws altijd ‘vervormd, gefilterd, partijdig en gemanipuleerd is’. En sterker nog: dat het toepassen van de journalistieke standaarden juist leidt tot nog meer manipulatie, want het publiek denkt dat het allemaal waar is. 

Voor al het aanstormend journalistiek talent geen makkelijke boodschap, want wat je tijdens je studie allemaal leert over de journalistieke werkwijze is kennelijk allemaal onderdeel van een grote coverup. Gezien de ondertitel van het hoofdstuk, Nut en functie van een omstreden begrip, zou je verwachten dat de auteur de ontredderde student de helpende hand biedt. Als het ‘objectiviteitsregime’ kennelijk niet deugt, wat zou er dan voor in de plaats moeten komen? Wat is dan wel een goede manier om betrouwbaar nieuws te brengen? Helaas biedt het hoofdstuk van Broersma daarvoor weinig aanknopingspunten, omdat de focus vooral ligt op de ideologische functie van de presentatie van het nieuws. 


Zijn stelling dat we de journalistiek niet zozeer als descriptief maar als performatief discours moeten beschouwen, leidt ertoe dat de journalistieke methode er in het hoofdstuk bekaaid vanaf komt. Maar journalistieke objectiviteit is natuurlijk niet alleen een kwestie van presentatie, vorm en stijl, maar óók –of misschien wel vooral descriptief: een methode om tot betrouwbare uitspraken over de werkelijkheid te komen. 


Helaas laat Broersma zich over de kwaliteit van die methode tamelijk laatdunkend uit. Hij noemt de journalistieke werkwijze een onderdeel van het ‘objectiviteitsregime’ en omschrijft ze als ‘ingeslepen routines’ en ‘praktijken’ (wederom: woorden met een negatieve connotatie). Aan deze ‘vaste procedurele handelingen’ ligt volgens Broersma ‘de gedachte ten grondslag dat journalisten de objectieve waarheid kunnen benaderen.’ 


Hij verwijt hier de journalistiek nog steeds de afspiegelingsgedachte te hanteren, maar daarvoor heeft hij juist betoogd dat de journalistiek objectiviteit “niet zozeer hanteert als een ontologische categorie (de dingen kunnen zien zoals ze zijn), maar als een epistemologische – hoe komt journalistiek tot geldige kennis over de werkelijkheid?” 


Niettemin lopen in dit hoofdstuk beide interpretaties van objectiviteit –als afspiegeling en als methode- voortdurend door elkaar heen. Vaak is onduidelijk in welke van de twee betekenissen de term wordt gebruikt. Daardoor ontstaat de indruk dat de meeste journalisten nog steeds denken dat zij de werkelijkheid objectief weergeven. In ieder geval de aanhangers van het ‘objectiviteitsregime’ dat volgens Broersma “de indruk moet wekken dat journalistieke teksten een absolute waarheid vertellen.”


Het is jammer dat Broersma een karikatuur maakt van de journalistieke methode door maar weer eens op de proppen te komen met de klassieker van Tuchman (1972) dat objectiviteit een ‘strategic ritual’ is, een ritueel dat wordt toegepast –niet vanwege de waarheidsvinding- maar vanwege de symbolische betekenis (‘kijk, hoor en wederhoor, wij zijn objectief’). Volgens Broersma zouden journalisten de verantwoordelijkheid voor het waarheidsgehalte ontlopen door deze bij hun bronnen neer te leggen. Broersma: “Objectiviteit legitimeert op die manier ‘hij zegt-zij zegt’-journalistiek.”


Dit soort clichés doet geen recht aan de journalistieke methode, die wel degelijk is gericht op het verifiëren van feiten en het vaststellen van ontwikkelingen door middel van bronnenonderzoek (tegenwoordig bijvoorbeeld ook datajournalistiek), observaties (reportages), interviews, reconstructies en het weergeven van verschillende lezingen en meningen. Het hoofdstuk van Broersma schiet dan ook ernstig tekort als evaluatie van de journalistieke methode van de objectieve beroepsopvatting en vooral van de kwaliteit van de feiten die deze journalistiek oplevert. 


Het hoofdstuk bevat een korte paragraaf onder de tussenkop ‘Journalistiek en waarheid’, maar dit bevat geen fundamentele behandeling van het vraagstuk van waarheidsvinding. Wat de journalistiek als ‘waar’ presenteert is volgens Broersma “het resultaat van een sociaal proces waarin de werkelijkheid wordt geconstrueerd.” En hij voegt er aan toe: “Hiermee is overigens niet gezegd dat de relatie van journalistiek tot de werkelijkheid onbelangrijk is.” 

Dat is toch wel een merkwaardig understatement. De ‘niet onbelangrijke’ relatie van de journalistiek tot de werkelijkheid had natuurlijk het centrale issue van dit hoofdstuk moeten zijn. Alles is constructie inderdaad, wij kunnen de werkelijkheid alleen maar waarnemen en begrijpen vanuit onze bestaande denkkaders, maar dat betekent niet dat iedere uitspraak over de werkelijkheid even betrouwbaar is. En hoe beoordelen we dat? Door te kijken naar de manier waarop deze uitspraak tot stand is gekomen: de methode. Dus wat is de kwaliteit van de journalistieke objectiviteit als methode? 


Alle professionals die zich met feiten bezighouden, wetenschappers, rechters, rechercheurs, belastinginspecteurs hanteren een door de beroepsgroep ontwikkelde en gesanctioneerde methode die moet garanderen dat er betrouwbare uitspraken uit het onderzoek komen. De gemeenschappelijke kenmerken van die methode: gebruik van maken van (onafhankelijke) waarnemingen (empirie), eerlijke verwerking van de data en vooral transparantie. Iedere stap moet door anderen gecontroleerd kunnen worden. 


De professionele inkadering is hier van groot belang: het toezicht door vakgenoten. Vandaar de peer review methode in de wetenschap. De journalistiek is weliswaar geen echte professie (vrij beroep) maar ook hier is er sprake van een professionele methode die garandeert dat de feiten een zeker kwaliteitsniveau hebben.

En dat geldt dus ook voor de wetenschap, waar het ‘probleem’ van objectiviteit op dezelfde manier speelt: ‘wetenschap is ook maar een mening.’ Denk aan de hele klimaatdiscussie en de kritiek van de klimaatsceptici. Broersma’s performative discourse analyse zou overigens ook perfect op de wetenschap-en daarmee ook op zijn eigen wetenschappelijk werk toegepast kunnen worden. 


Het is jammer dat de auteur in dit hoofdstuk niet veel verder komt dan de gebruikelijke neomarxistische ideologiekritiek op de journalistieke objectiviteit, namelijk:

a. dat objectiviteit niet bestaat; 

b. dat het een ideologie is die het arme publiek wil doen geloven dat dat wel zo is en 

c. dat het allemaal een kwestie is van streven naar macht. 


Maar wie vervolgens denkt dat Broersma de studenten gaat uitleggen wat ze nu aan moeten met het ‘objectiviteitsregime’ komt bedrogen uit, want veel verder dan de constatering “dat het concept een belangrijke functie heeft bij het definiëren van wat journalistiek en wie journalist is” gaat het niet. De slotzin benadrukt nog maar eens dat “het strategisch wordt gehanteerd nu de journalistiek opnieuw zoekende is naar legitimiteit en autonomie.

Het is de vraag of studenten wel een goed beeld krijgen van journalistieke objectiviteit als een kennistheoretische benadering van de journalistieke methode als waarheidsvinding ontbreekt.


Leestips:




dinsdag 26 augustus 2014

Reacties op Wat als commercie infiltreert in onafhankelijke journalistiek?

Voor reacties op Wat als commercie infiltreert in onafhankelijke journalistiek? Zie De Nieuwe Reporter

Mijn antwoord daarop:

@Mark:  wellicht interessant om dit artikel eens te lezen:

"NYT Readers Spend Same Amount of Time on Paid Posts as News Stories"
"Readers of the New York Times are spending roughly the same amount of time on advertiser­sponsored posts as on news stories, according to Meredith Levien, the executive vice president of advertising for The Times. Speaking at the American Association of Advertising Agencies’ public relations forum in New York on Wednesday, Ms. Levien said that in some cases ad­sponsored posts, known as “paid posts,” had done better than traditional news stories."

Bob Garfield (Cohost of On the Media and MediaPost columnist) stelde tijdens de FFC conferentie Blurred Lines: Advertising or Content? An FTC Workshop on Native Advertising (4 december 2013) dat lezers niet op advertenties klikken. "Ze klikken wel op native ads, ergo ze hebben niet door dat het advertenties zijn."  
Dat is misschien wel al te kras, maar is het niet een beetje zorgwekkend als de lezers van The New York Times de voorkeur geven aan gesponsorde verhalen boven serieus nieuws, afgezien van de vraag of ze altijd doorhebben dat het content marketing is?

Nog een citaat:
"Moreover, to consumers who wonder what to believe, the emerging model of media content is bewildering. The differences in format and presentation between paid messaging and content produced by people exercising independent editorial judgment are getting almost impossible to discern. (Pick up a copy of Wired magazine, which is wonderfully designed, and try to identify the ads.
Accelerating the push toward more sponsored content will only deepen that confusion and intensify mistrust among thoughtful readers and viewers. I used to deplore this; now I fear that in the near-total absence of resistance from the news business, it’s irreversible. This may not be the media world we want, but it sure looks like the one we’re going to get. 

Edward Wasserman, Dean van de Graduate School of Journalism aan de University van Berkely. 

zondag 23 februari 2014

Ethische besef ontbreekt bij de freelancers die de woonplaats van Benno L onthulden


Op De Nieuwe Reporter verscheen een terugblik op de journalistieke ophef over het bekend maken van de nieuwe woonplaats van Benno L: Reconstructie: Rumoer over de onthulling vande woonplaats van Benno L. Geschreven door Elif Isitman en Theresia Schouten die voor deze primeur tekenden. 


Een korte reactie. 

Dit is natuurlijk geen reconstructie, maar een terugblik van enkele hoofdrolspelers, wederhoor ontbreekt volledig. De auteurs betreuren het dat er een discussie over journalistieke ethiek uit voort is gekomen in plaats van een debat over de “plaatsing van zedendelinquenten” (moet dat niet ‘ex-zedendelinquent’ zijn overigens?).

Maar die discussie was toch te voorzien? Evenals de ophef onder de buurtbewoners?
De vraag is waarom beide auteurs in dit artikel niet ingaan op hun eigen afweging om dit ‘nieuws’ ter publicatie aan te bieden. Ze verschuilen zich achter de stelling dat ze er een nieuwsverhaal van wilden maken maar wel met “genuanceerde, niet sensationele inslag.”  

donderdag 3 oktober 2013

Het naïeve idealisme van Bart Brouwers in Na de deadline

Onlangs verscheen Na de deadline. Journalistiek voorbij de crisis waarin Bart Brouwers zijn toekomstvisie op de journalistiek ontvouwt. Brouwers is de oprichter van het netwerk van regionale websites Dichtbij.nl, eigendom van de Telegraaf Media Groep. 


'Journalistiek is interactief, interactiviteit bepaalt journalistiek succes.'


Tot nog toe is de meeste aandacht uitgegaan naar zijn opmerkelijke pleidooi voor overheidssteun voor 'relevante' journalistiek. Hoewel de verleiding groot is om op die discussie door te gaan, is het interessanter om te kijken naar de aannames die ten grondslag liggen aan zijn visie op de journalistiek waarin interactiviteit centraal staat. Brouwers pleit voor samenwerking  'in alle fasen van het journalistieke proces' met uiteenlopende partners: burgers, experts, freelancers, overheden, dataleveranciers, bedrijven, en merken ('vroeger bekend als de adverteerders').  Maar op grond van welke analyse? Welke maatschappijvisie, en meer specifiek welk beeld van de hedendaagse burger (vroeger bekend als het publiek) ligt aan de basis van Brouwers theorie?



maandag 9 september 2013

Goed nieuws: het valt reuze mee met de knip- en plakjournalistiek. En het is niet erger dan vroeger

Peter Vasterman

Het is jammer dat Anne Kroon de resultaten van haar onderzoek naar persberichten van Nederlandse universiteiten in het DNR artikel presenteert onder de vlag van de opmars van de knip- en plakjournalistiek. Niet alleen de kop boven het artikel verwijst daarnaar, maar ook de derde alinea waarin Nick Davies aan bod komt met zijn ‘alarmerende term churnalism’. Dat is de man die in zijn veelgeprezen boek Flat Earth News (2008) niet alleen achteraf heeft voorspeld dat de milleniumbug een hoax was, maar die ook beweerde dat maar liefst 80 procent van al het nieuws in de Britse media uit de koker van de PR afkomstig was. Dat cijfer viel overigens zo hoog uit omdat de onderzoekers uit Cardiff waar Davies zich op baseerde, ten onrechte persberichten en berichten van persbureaus bij elkaar optelden. [1]
Het verbaast me dan ook niet dat Marcel van Lingen, hoofdredacteur van het ANP, zich in zijn kuif gepikt voelde door het stuk van Anne Kroon. Want volgens haar onderzoek zou het ANP, meer dan andere media, zich schuldig maken aan het ‘zonder toegevoegde informatie’ doorplaatsen van persberichten van de Nederlandse universiteiten. Dat bijna 40 procent (soms is in de scriptie sprake van 30 procent) van de persberichten zo op het ANP-net terecht kwam, acht Kroon ‘zorgwekkend,  ‘omdat uit eerder onderzoek blijkt dat journalisten informatie van persagentschappen niet consequent controleren. Het is dus mogelijk dat PR-kopij via persagentschappen in de nieuwsmedia terecht komt.
De kranten daarentegen worden vrijgepleit “van massale copy-paste journalistiek.” Of het ANP daadwerkelijk de doorgeplaatste persberichten niet checkt, kan Anne Kroon natuurlijk niet beantwoorden met haar inhoudsanalyse. Daar had de ANP-hoofdredacteur een punt.

woensdag 4 september 2013

Awayness, hoe goeroes als Jay Rosen ons met buzzwords het bos insturen


In het themanummer van 3 september van de Columbia Journalism Review onder de titel What is journalism for? krijgt nieuwe media goeroe Jay Rosen de kans om er weer eens een nieuwe definitie van journalistiek tegenaan te gooien. Het gaat volgens hem niet om de vraag ‘wie is journalist?’, maar om ‘wat is journalistiek?’
 En wat is het antwoord volgens Rosen, de grand old man van civic journalism? Na wat omzwervingen langs de Koopman van Venetië van Shakespeare, een Engelse vissersdorpje met 200 inwoners en de Mexicaanse dichter Octavio Paz komt hij tot de niet bepaald wereldschokkende conclusie dat journalistiek een venster op de wereld biedt en daarmee een oplossing voor het probleem van ‘the rising “awayness” of things. 
“Journalism enters the picture when human settlement, daily economy, and political organization grow beyond the scale of the self-informing populace.”
Goeroes zijn altijd dol op nieuwe termen waarvan ze hopen dat het buzzwords worden die gaan rondzingen. Maar ik betwijfel of ‘awayness’ gaat scoren. 
Journalistiek is volgens Rosen: ‘ik ben hier en jij niet en daarom vertel ik wat hier gebeurt.’ 

Journalistiek is dus een verslag van iets dat buiten onze horizon plaatsvindt.  Goh, echt waar joh?
Mag een verslag van iets waar ik wel bij geweest dan ook?

zaterdag 13 juli 2013

De journalist als vrijwilliger in het buurthuis van Jeff Jarvis Deel 2

Lees de discussies over mijn artikel over het naïeve idealisme van de Amerikaanse nieuwe media goeroe Jeff Jarvis op De Nieuwe reporter. 

dinsdag 2 juli 2013

De journalist als vrijwilliger in het buurthuis van Jeff Jarvis

There are no journalists


We zijn eruit. Journalisten bestaan niet meer. Eindelijk heeft de bekendste en meest invloedrijke denker, Jeff Jarvis een nieuwe definitie gegeven van de journalistiek in de toekomst. We waren jarenlang dolende, maar Jeff heeft eindelijk aangegeven waar het heen gaat (of moet?).
Eerst maar even wat journalistiek allemaal niet (meer?) is volgens deze visionair: geen inhoud, geen zelfstandig, geen professioneel beroep, geen industrie, geen schaars goed, geen redactie product, geen verhaal format. Geen journalisten dus.
Nee het is DIENST: journalistiek helpt communities om hun eigen kennis te organiseren zodat ze zich beter zelf kunnen organiseren. Laat die begrippen even inwerken: ‘helpen’, ‘gemeenschap’, ‘organiseren.’
Iedereen kan het
Het zijn woorden die vooral denken aan het klassieke welzijnswerk dat inmiddels in hoog tempo wordt afgebroken om zo de ‘buurt terug te geven aan de bewoners’ zoals dat tegenwoordig in gemeentelijk jargon heet. Geïnspireerd door de ‘Jarvissen’ van het toekomstbestendige welzijnsbeleid.
Want ook Jarvis spreekt over een ‘dienst’, die net als in het welzijnswerk teruggegeven kan (nee, moet) worden aan de buurt. En die dus ook door de buurtbewoners zelf kan worden uitgevoerd, zodat ze zich zelf ook beter kunnen organiseren. En die mogen zich dan journalist noemen. Want professionals zijn niet meer nodig. “Anyone can help do that.”
De echte journalist
Maar ho even, dan spreekt Jarvis toch weer over de ‘true journalist’ die zou moeten willen dat iedereen daaraan mee doet. Hé, er is dus toch nog een echte journalist, maar is dat een professional of een vrijwilliger die tussendoor ook bingo’s organiseert in het buurthuis? Dat is niet duidelijk in zijn betoog. Op zich is het niet vreemd om het doel van journalistiek te formuleren in termen van een maatschappelijk belang, namelijk zorgen voor een goed geïnformeerde burger. Maar Jarvis beperkt de rol van de journalist  tot het helpen van de gemeenschap bij het organiseren van informatie.
De community helpen
Eerst die community: het klinkt mooi (wie zou niet de gemeenschap willen dienen?), maar wat bedoelt Jarvis met een community: een buurt, een gemeente, een subcultuur, een groep gelijkgestemden, een land? En kun je dan ook voor verschillende communities werken? En wat als die communities met elkaar in de clinch liggen?

vrijdag 8 maart 2013

Onderzoek Commissie Cohen, sloppy science? DEEL 1


Was de ‘kritieke massa’ op Facebook al een feit vóórdat de media massaal aandacht gingen besteden aan Project X Haren?

Volgens de onderzoekers die voor het rapport van de Commissie Cohen de rol van de sociale media en de massamedia onderzochten hebben die massamedia geen doorslaggevende rol gespeeld.

Een belangrijke argument voor die stelling is volgens de onderzoekers dat er al een ‘kritieke massa’ was bereikt op Facebook vóór het moment dat de media aandacht gingen besteden aan Project X Haren, in de loop van de dag op dinsdag 18 september (zie pagina 26 van het tweede deelrapport). 
Die nieuwsgolf begint met een artikel in Trouw dat meteen door alle andere mediawebsites wordt overgenomen met als onjuiste invalshoek dat Haren al een noodverordening heeft klaarliggen.


maandag 22 november 2010

Peer review van onderzoek, maar dan door journalisten

De afgelopen twee weken is op De Nieuwe Reporter gedebatteerd over het onderzoek dat in Nederland wordt gedaan naar de journalistiek. Aanleiding was een symposium op 12 november dat plaats vond naar aanleiding van een inventarisatie die de mediawetenschappers Kees Brants en Peter Vasterman hebben gemaakt van het onderzoek dat in Nederland gedaan wordt naar de journalistiek. In de laatste aflevering van de serie blikken zij terug op het debat en trekken een aantal conclusies.

maandag 22 december 2008

Verontwaardiging is niet genoeg. Recensie van 'De communicatieoorlog'


Frits Bloemendaal. De communicatieoorlog. Hoe de politiek de pers in haar greep probeert te krijgen. Amsterdam Ambo 2008.

"Dit boek is geboren uit verontwaardiging”, schrijft GPD chef Frits Bloemendaal.
In november 2007 komt bij toeval aan het licht dat twee voormalige collega’s, dan werkzaam als woordvoerders bij Sociale Zaken, vele malen hebben rondgekeken in het interne netwerk van het persbureau op zoek naar artikelen over hun ministerie. Zij konden geen wijzigingen aanbrengen, maar wel eventueel anticiperen op wat er zou gaan verschijnen. Bloemendaal ziet dit gluren in het computersysteem als symptomatisch voor de manier waarop de overheid tegenwoordig omgaat met de pers. De politiek, of breder, de overheid probeert de pers in haar greep te krijgen door te controleren, te manipuleren, te verzwijgen, te omzeilen en zelfs door te intimideren met rechtzaken en gijzelingen.

dinsdag 28 oktober 2008

Bloggen versus journalistiek en de controleerbaarheid van de methode

Het blijft merkwaardig dat de discussie over de vraag hoe de bloggen zich verhoudt tot journalistiek nu al jaren zorgt voor begripsverwarring, drogredenen en andere onzuivere redeneringen. Een goed voorbeeld daarvan is de discussie tijdens weblogconferentie Blog08 op 24 oktober 2008.

Mankerende vergelijkingen zijn typisch voor het niveau van het debat: “Vragen of bloggen journalistiek is, is vragen of aardbeienijs ook ijs is,” aldus mediablogger Paul Bradshaw, die de hele discussie maar tijdverspilling vindt. Op dezelfde manier is het natuurlijk allemaal een vorm van communicatie, maar daar schiet je niks mee op, want dan valt reclame, voorlichting en propaganda ook allemaal onder ‘ijs’.

vrijdag 20 oktober 2006

Bloggers blijken geen journalisten


Toen ik vorig jaar oktober als eerste vraagtekens zette bij het journalistieke gehalte van de nieuwe Volkskrant-weblogs werd ik overladen met honende reacties. Ik had er helemaal niets van begrepen, dit soort burgerjournalistiek had juist de toekomst. In mijn opiniestuk in de Volkskrant vroeg ik me af of bloggen wel iets met journalistiek te maken heeft, aangezien verslaggeving niet bepaald populair is bij bloggers; wel het op hoge toon en liefst anoniem, spuien van meningen. Ik schreef vorig jaar: “De meeste deelnemers lijken niet te beseffen dat het de kern van de journalistiek is om op een waarheidsgetrouwe manier verslag doen van relevante gebeurtenissen.
Ook Arjen Dasselaar veegde de vloer aan met mijn stuk in de Volkskrant waarin ik er “blijk van gaf niets van het fenomeen ‘bloggen’ te snappen”. En wel door me “te beperken tot achterhaalde clichés als anonimiteit en hoor en wederhoor”. Die term hoor en wederhoor kwam niet voor in mijn stuk, maar dat terzijde.
Ik was dan ook aangenaam verrast toen ik vorige week las dat Dasselaar een scriptie heeft geschreven over het journalistieke gehalte van weblogs in Nederland, waarop hij bij de master opleiding Journalistiek en nieuwe media in Leiden inmiddels cum laude is afgestudeerd.

Onthutsend
Blijkbaar was het toch niet zo’n gek idee om te vragen naar dat journalistieke gehalte van weblogs. De uitkomsten zijn onthutsend, als Dasselaar zijn van tevoren opgestelde criteria voor journalistiek gebruikt is er onder de 292 respondenten van zijn online uitgevoerde enquête maar 1 (0,3%!) blogger die enigszins aan de door Dasselaar gehanteerde definitie van journalistiek voldoet.
Door de definitie en de mate waarin bloggers scoren op de verschillende criteria flink op te rekken, weet de onderzoeker toch nog tot 51 exemplaren te komen (17,5%). De conclusie is duidelijk: de meeste bloggers in dit onderzoek zien zichzelf absoluut niet als journalist en hanteren ook geen journalistieke methoden. En dat terwijl de steekproef van 292 via zelfselectie tot stand is gekomen, een zelfselectie die juist voor een oververtegenwoordiging zou kunnen zorgen van mensen die wel met journalistiek bezig zijn.
De conclusies van het onderzoek zijn des te verbazingwekkender omdat Dasselaar een tamelijk vage en dus ruime definitie van journalistiek hanteert:“Journalism is truth seeking storytelling aimed at citizens, which is editorially independent”.
Het is niet duidelijk waarom Dasselaar voor deze kenmerken gekozen heeft, er is voldoende wetenschappelijke literatuur beschikbaar om tot scherpere definities te komen. Waar zijn elementen als: ‘nieuws’ in plaats van ‘verhalen vertellen’; ‘kritische functie’; ‘controle op de macht’; ‘controleerbaarheid’; ‘niet anoniem’, etc.
Het probleem is dat de kenmerken ‘gericht op burgers’, ‘verhalen vertellen’ en ‘onafhankelijkheid’ helemaal geen specifieke journalistieke kenmerken zijn. Een romanschrijver die een blog bijhoudt voldoet ook aan deze criteria en zou dus bij Dasselaar heel hoog scoren op drie van de vier criteria.
Een ander probleem is dat Dasselaar voor ieder kenmerk maar drie vragen heeft opgenomen in zijn enquête. Het criterium van ‘waarheidsvinding’ is ‘geoperationaliseerd’ in de vragen: welke bronnen gebruik je (andere sites of eigen onderzoek); ga je kritisch om met bronnen en verifieer je de feiten? Dat is natuurlijk geen operationalisatie van dimensies, want een specificatie van wat dat eigen onderzoek zou moeten inhouden ontbreekt. Dasselaar schrijft zelf dat hij dat aan de fantasie van de bloggers overlaat. “Misschien maken ze wel gebruik van andere methodes dan de gewone journalistiek en die willen we niet uitsluiten.” Maar waar die methodes dan uit bestaan en of dat iets met waarheidsvinding te maken heeft, daar komen we niet achter. Misschien zijn er wel bloggers bij met paranormale gaven!
Bloggers bloggen voor zichzelf
Ook bij de feitenverificatie laat Dasselaar aan de bloggers over om te bepalen op welke manier ze die feiten dan checken. Ondanks de ruimte die de bloggers krijgen om zichzelf tot journalist te promoveren, zijn de scores zeer laag. Alleen de scores op onafhankelijkheid zijn hoog (dat is niet vreemd want de meeste bloggers bloggen gewoon voor zichzelf) en dat criterium is dus niet discriminerend voor wie journalistiek bezig is en wie niet.
Omdat er uiteindelijk maar één journalistieke blogger uitrolt, besluit de onderzoeker te gaan compenseren en de normen te verlagen. Laag scoren op waarheidsvinding kan gecompenseerd worden door hoog scoren op onafhankelijkheid en dat is geen probleem want iedereen is zo’n beetje onafhankelijk! Door alles zo op te rekken ontstaat er een groep van 51 bloggers (17,5 procent) die enigszins journalistiek bezig is. En die door Dasselaar meteen “de journalistieke blogger” genoemd wordt.
Dasselaar heeft tien procent van de respondenten gecontroleerd door zelf hun site te bezoeken, maar in tegenstelling tot wat Dasselaar in een interview voor De Nieuwe Reporter zegt, viel onder die ‘controle’ niet het journalistiek gehalte van de site omdat, zo schrijft hij, “onze beoordeling zou net zo subjectief zijn als het antwoord van de respondent”. Dat is een onbegrijpelijke uitspraak, natuurlijk is het mogelijk om via onderzoek vast te stellen of een site voldoet aan bepaalde journalistieke criteria.
Ander domein
Hoeveel moeite Dasselaar ook doet om het journalistieke gehalte van blogs aan te tonen, het resultaat is mager, zelfs met de ruime definities en een zeer summiere vragenlijst. De meeste bloggers hebben overduidelijk geen boodschap aan journalistiek. Daar is verder niks mis mee, de bloggers behoren tot een ander domein dan dat van de journalistiek, met een eigen cultuur en een eigen maatschappelijke functie. Het rare is dat de scriptie daar niet over gaat, ondanks de omineuze titel ‘The Fifth Estate’. Die vlag dekt de lading niet, want over die vermeende rol als vijfde macht komen we niet veel te weten in deze scriptie. Wel dat bloggen weinig met journalistiek van doen heeft.

maandag 26 juni 2006

De Nederlandse correspondenten: witte vlek in Afrika, Azië en Arabische wereld populairder


Waar zitten de Nederlandse buitenlandcorrespondenten? Hoeveel zijn het er? Is de spreiding over de wereld de afgelopen jaren veranderd? In 1989 werd het Nederlandse correspondentennetwerk voor het eerst in kaart gebracht, in 1995 werd het onderzoek herhaald. Nu, elf jaar later, is het opnieuw tijd voor een update, vervaardigd door Leendert van der Valk en Peter Vasterman.