Posts tonen met het label De Journalist. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Journalist. Alle posts tonen

vrijdag 21 september 2001

Mediachannel: as the media watch the world, we watch the media

AS THE MEDIA WATCH THE WORLD, WE WATCH THE MEDIA

Peter Vasterman

Gepubliceerd in De Journalist van 21 september 2001.

Sinds de harde landing van de nieuwe economie is internet synoniem geworden voor faillissementen, ontslagen en berooide beleggers. Maar daarnaast is er ook nog steeds een ander, meer succesvol internet verhaal te vertellen. In de niet-commerciële sector heeft internet zich ontwikkeld tot een internationaal platform voor allerlei organisaties en instellingen die zich buiten de bestaande media om willen manifesteren. Een interessant voorbeeld is MediaChannel, een internationale portal over media issues die vorig jaar februari werd gelanceerd.

vrijdag 7 juli 2000

Internet en de ramp: traditionele journalistiek domineert

De ramp op internet
De vuurwerkexplosie in Enschede is de eerste grote Nederlandse ramp die plaatsvond in het internettijdperk. Peter Vasterman inventariseerde de informatiestroom op websites. Conclusie: veel nieuws werd niet toegevoegd.

Gepubliceerd in De Journalist 7 juli 2000

 Snelle start

Vrijwel onmiddellijk na de ramp kwam er een uitgebreide informatiestroom op gang op het net, bestaande uit nieuwsberichten, ooggetuigenverslagen en mededelingen in allerlei nieuwsgroepen. Een paar uur na de ramp registreerde een webcam zelfs live beelden van de enorme rookwolken boven Enschede.

Niet alleen dagbladen als Twentse Courant/Tubantia en de Volkskrant kwamen op hun websites al snel met actueel nieuws, ook de nieuwsdiensten van internet providers als Planet Internet en World Online gaven berichten. Internet was er dus snel bij, maar wat hadden al die websites eigenlijk te bieden? En wat hebben ze toegevoegd aan de nieuwsvoorziening na die eerste schokgolf op 13 mei?

donderdag 20 mei 1999

De rampzalige berichtgeving over de nasleep van de Bijlmerramp

De rampzalige berichtgeving over de nasleep van de Bijlmerramp 


Peter Vasterman

Niet alleen voor de politiek, ook voor de journalistiek is er reden tot een kritische terugblik op de nasleep van de Bijlmerramp. Een analyse van de berichtgeving over de Bijlmerenquête


In verkorte versie gepubliceerd in De Journalist van 20 mei 1999.

De speciale rol van de pers bij deze enquête

Er is weinig fantasie voor nodig om te bedenken hoe het eindrapport 'Beladen vlucht' ontvangen zou zijn als de enquêtecommissie het hele vooronderzoek en al die 89 verhoren in alle stilte zou hebben verricht. Dan zou er zeer waarschijnlijk met hele andere ogen gekeken zijn naar het rapport dat afrekent met alle complottheoriëen, geruchten en speculaties rond de nasleep van de Bijlmerramp. Geen giftige lading, geen wapens, geen explosieven, geen plutonium, geen fraude met de ladingpapieren, geen gebrekkig onderhoud, geen onderschatting van het aantal slachtoffers, geen vreemde mannen in witte pakken, geen betrokkenheid van geheime diensten, geen extra gezondheidsrisico's door het verarmd uranium, geen 'spontane' vorming van gifgas Sarin, geen mycoplasmabesmettingen, alleen, heel misschien, een relatie tussen een aantal gevallen van auto-immuunziekten en de ramp, al is dat verband nog lang niet wetenschappelijk aangetoond. De commissie legt wel een verband tussen 'gezondheidsklachten' (let wel: niet 'de gezondheidsklachten') en de ramp, maar doelt daarmee voornamelijk op klachten die verband houden met post traumatisch stress stoornis (PTSS). De belangrijkste kritiek op de overheid en de verantwoordelijke bewindslieden heeft dan ook betrekking op het niet adequaat en niet tijdig reageren op de maatschappelijke onrust waardoor dit soort gezondheidsklachten kon toenemen. Als de pers dit rapport op 22 april om 6.00 uur 's morgens zou hebben opengeslagen zonder dat er een openbare enquête zou hebben plaatsgevonden, dan zou de oorlog in Kosovo ook op die dag de voorpagina's hebben beheerst en zou de politieke storm binnen een dag zijn overgewaaid. Het rapport zou met andere woorden één grote ontnuchtering hebben opgeleverd.

Dat het anders is gelopen, heeft te maken met het hele maatschappelijke proces dat zich sinds het begin van de openbare verhoren heeft afgespeeld: de live uitzendingen, de berichtgeving in de media, de reacties van 'Bijlmerslachtoffers', de commentaren van deskundigen, en niet te vergeten de uitspraken en beschuldigingen van de commissieleden zelf tijdens persbriefings of via lekken. Hoogtepunt of zo men wil dieptepunt in dat geheel vormde de opwinding en soms zelfs paniek over de vermeende gevaarlijke, explosieve lading en het zogenaamd 'onder de pet' houden daarvan.

De media hebben in dat proces uiteraard een zeer belangrijke rol gespeeld, niet alleen door de dagelijkse verhoren te verslaan, maar ook door het plaatsen van al die brokjes informatie in bredere kaders waardoor de grote lijnen voor het publiek duidelijk moesten worden. En dat was moeilijk, want de verhoren bleken stukjes te zijn van een zeer grote, maar onbekende legpuzzel. Bovendien legden getuigen verklaringen af (onder ede!) waarvan op dat moment (nog) niet duidelijk was of dat de definitieve feiten over dat onderdeel zouden zijn. Door het ontbreken van afgeronde feiten en de context van de verklaringen stond de pers voor de moeilijke opgave om gaandeweg zelf een context aan te geven en zelf de getuigenverklaringen op hun waarde te schatten. De commissie die de verhoren uitvoerde, beschikte op basis van het uitgebreide vooronderzoek al over veel meer achtergrondinformatie dan de verslaggevers. Bovendien kon de commissie door de volgorde van de verhoren, de vraagstellingen, de manier van ondervragen de regie houden over de inhoud en de toonzetting van deze 'primaire' informatiestroom.

maandag 21 december 1998

Recensie van McNair, B. (1998) The Sociology of Journalism. London, Arnold.

Het chaos model verandert power and privilige
Recensie van McNair, B. (1998) The Sociology of Journalism. London, Arnold. 

Gepubliceerd in De Journalist december 1998.

De massa- én media-hysterie rond Diana, het alles ondermijnende Clinton-Lewinsky-schandaal, de subversieve kracht van de Internet-geruchtenstroom, de snelle en chaotisch verlopende omslagen in de publieke opinie, de onstuitbare opmars van de communicatiegoeroe’s en de daarbij behorende pseudo-events, het zijn voor Brian McNair allemaal ontwikkelingen die de klassieke sociologische benaderingen van de journalistiek op het verkeerde been zetten. Decennialang hebben allerlei studies proberen aan te tonen dat de media uitsluitend gericht  waren op het bevestigen van de status quo (het geliefde woord uit de jaren zeventig) en het legitimeren van de heersende ideologie. Dit linkse ‘top down’ model werd weer bestreden door de aanhangers van de ‘liberale’ stromingen die de openbare sfeer  beschouwden als een voor iedereen toegankelijke publieke arena, waarin de media een waakhondfunctie vervulden. McNair probeert in deze inleiding in de sociologie van de journalistiek deze dichotomie van het competitie versus dominantie paradigma te doorbreken. Allerlei ontwikkelingen in de afgelopen jaren zijn immers niet te verklaren met deze modellen: waarom is er zoveel pluriformiteit als de economische mediaconcentratie mondiale vormen heeft aangenomen? Hoe kan de patriarchale ideologie op zijn retour zijn als de media de dominante ideologie verspreiden? Hetzelfde geldt voor racisme en homofobia aldus McNair die vindt dat de sociologie zich zou moeten concentreren op de dynamiek van de nieuwsproduktie en de factoren die daarop van invloed zijn. Hij kiest voor een ‘chaotic flow’ model waarin allerlei maatschappelijke actoren en ideologische stromingen met elkaar strijden om macht om issues te definiëren en toegang tot de publieke arena, maar waarbinnen  de de . Er is niet bij voorbaat één winnaar (de heersende klasse van vroeger), en de strijd verloopt zeker niet volgens vaste patronen; de uitkomst is eerder onvoorspelbaar en het proces bij nader inzien zeer chaotisch

Vanuit dit perspectief beschrijft de auteur in een kloeke docerende stijl de bekende terreinen van de sociologie van de journalistiek: aan de ene kant het maatschappelijk krachtenveld waarbinnen de journalistiek functioneert (de politieke, economische en technologische omgeving), aan de andere kant analyseert hij de professionele werkwijze en de maatschappelijke effecten van de journalistiek en de technologische omgeving). Veel aandacht is er voor de rol van de bronnen van het nieuws, die zo belangrijk geworden zijn dat de sociologie van de nieuwsbronnen een aparte specialisatie lijkt te worden.
MacNair weet op een didactische manier bruggen te bouwen tussen de vaak abstracte sociologische theorieën en de hele concrete actuele voorbeelden, variërend van Diana en Versace tot en met BSE en Swampy. Bovendien relativeert hij voortdurend het vaak harde oordeel over de journalistiek. Typerend is een zin als: “Journalists do not consciously set out to ‘distort’ reality by their adherence to these news values and formal conventions.”
Hij blijft afkerig van deterministische verklaringsmodellen en laat zich niet verleiden tot een populair media-bashing. Het analyseren van de maatschappelijke context van de journalistiek komt bij het publiek vaak over als een totale debunking van de journalistiek (objectiviteit blijkt niet te bestaan, commerciële motieven journalisten)
Het analyseren van de maatschappelijke context leidt in dit boek niet tot een totale ‘debunking’ van de journalistiek, zoals als dat vaak gebeurt in dit soort studies. McNair Hij benadrukt juist de tegendraadse ontwikkelingen waardoor de macht van de mediatycoons of de politieke elites over de centrale issues is afgenomen ten gunste van die van de journalistiek zelf en de professionele nieuwsbronnen.
Power and privilige bestaan nog steeds, maar allerlei maatschappelijke groeperingen hebben veel meer mogelijkheden om via allerlei media outlets te participeren in de strijd om issues en betekenissen.  te participeren
Dit ‘chaos’ perspectief verdient zeker nadere uitwerking, iets waar McNair in dit inleidend werk, gebaseerd op college aantekeningen, uiteraard niet aan toe kan komen. Voor discussies over de toekomst van de journalistiek biedt The Sociology of Journalism voldoende aanknopingspunten. t de media uitsluitend gericht Dat is vooral zichtbaar bij plotselinge nieuwsescalaties (zoals de food scares) die ervoor kunnen zorgen dat een onderwerp hoog op de maatschappelijke agenda komt maar die ook onnodige verontrusting of regelrechte paniek kunnen veroorzaken. McNair biedt met dit een eerste voorzet. maatschappelijke rol.



vrijdag 7 maart 1997

De gecontamineerde werkelijkheid

Gepubliceerd in De Journalist van 7 maart 1997

Peter Vasterman

 'The critics didn't kill Vietnam. It was a lousy movie.'

Verslaggevers lijken op biologen die apen onderzoeken: de apen weten dat ze geobserveerd worden en stemmen hun gedrag daarop af. Het is nog erger: nieuwsbronnen en nieuwsbrengers spelen samen een spel waarbij niemand meer weet wat echt is.

De gecontamineerde werkelijkheid

Een inval bij een drugsbende, een protestactie tegen de sojaboon, de publicatie van opzienbarende onderzoeksresultaten, de camera's staan overal bovenop en journalisten verslaan de gebeurtenissen. Maar hoe onafhankelijk kunnen journalisten berichten als die inval op touw gezet is om publiciteit te creëren? Als die actie alleen maar plaatsvindt vanwege de media-aandacht? Als al die mensen die voor de camera's komen getraind zijn in het omgaan met de pers? Was de Golfoorlog bij nader inzien niet vooral een media-event met het doel Bush herverkiezing mogelijk te maken?

Het beïnvloeden van het onderzoeksobject is uit den boze in de wetenschap. Journalisten daarentegen hebben dagelijks te maken met een door het mediavirus gecontamineerde werkelijkheid, een maatschappelijke 'realiteit' die op alle mogelijke manieren is beïnvloed door de media zelf, door het anticiperen van bronnen op mogelijke media-exposure en door de creatie van gebeurtenissen.

Dit essay gaat over de vragen die de gecontamineerde werkelijkheid oproept voor het functioneren van de journalistiek.

De geplande oorlog

Zoals de Vietnam oorlog te boek staat als de eerste oorlog op televisie, zo zal de Golfoorlog de geschiedenis ingaan als de eerste waarbij de internationale media onder strakke militaire regie stonden. De Golfoorlog was de oorlog van de briefings van Schwarzkopf en de Nintendo-achtige videobeelden van perfect geleide projectielen die 'doelen' vernietigden, maar nooit mensen leken te raken. En CNN had blijkbaar de filmrechten verworven.

De Golfoorlog was ook een media-spektakel en een slag om de publieke opinie. De Amerikaanse auteur Larry Beinhart gaat in zijn rijk gedocumenteerde boek 'American Hero' nog een stap verder. Desert Storm was een creatie van de adviseurs van Bush die van mening waren dat de herverkiezing van de niet al te populaire president alleen maar veilig gesteld kon worden door het winnen van een oorlog. Niet zomaar een oorlog, maar eentje met een duidelijke vijand, bij voorkeur op een overzichtelijk gebied en met de inzet van zoveel moderne technologie dat een grondoorlog en de daarbij behorende slachtoffers overbodig zouden worden.


Volgens Beinhart kreeg een bekende Hollywoord-regisseur in het diepste geheim de opdracht vooraf een scenario van de geplande oorlog samen te stellen. Na het analyseren van honderden Amerikaanse oorlogsfilms besluit hij dat het een woestijnoorlog moet worden (tenslotte was Rommel de enige populaire Nazi in de VS). Vietnam was heet, vochtig ('sex and disease') en vaak man tegen man in een onoverzichtelijke jungle. Een woestijnoorlog is ook heet, maar droog en schoon en kan uitgevochten worden met tanks, machines en vliegtuigen. De aanleiding: een soort Polen zoals bij het begin van de Tweede Wereldoorlog. De vijand: een nieuwe Hitler. De plek: ergens in het Midden-Oosten of in Noord-Afrika (Rommel!). Enfin, de afloop is bekend, Saddam Hoessein -een 'bevriend' staatshoofd voor de oorlog- was bereid de rol van de vijand op zich te nemen voor deze 'schone' Blitzkrieg met smart bombs en zo min mogelijk collateral damage. Het boek van Beinhart is natuurlijk een roman en de Hollywood regisseur een verzinsel, maar de essentie van de boodschap is daarom niet minder belangrijk. In het huidige mediatijdperk is het onderscheid tussen echte, 'spontane' gebeurtenissen en gecreëerde media-events steeds meer aan het vervagen.

Spontaan en live

Een aanwijzing voor die tendens is het feit dat we dankzij de televisie steeds vaker ooggetuige zijn van gebeurtenissen waarover vroeger enkel achteraf mededelingen aan de pers werden gedaan. Dat er camera's draaien bij een persconferentie van de minister-president is vanzelfsprekend, maar wat is er aan de hand als diezelfde cameramensen precies lijken te weten waar en wanneer bepaalde 'spontane', authentieke gebeurtenissen plaatsvinden zodat ze deze bij voorkeur 'live' kunnen verslaan?
Laatst was het weer eens zo ver: op de voet gevolgd door Hilversumse camerateams rolde de Rotterdamse politie een drugsbende op. Terwijl de deur van een 'probleemaccumulatiewoning' werd ingebeukt, hoorden we schreeuwen: 'politie, politie.' Het was net echt. 'Hoe zou zoiets nou in z'n werk gaan,' vroeg Jan Blokker zich in zijn Volkskrant-column af.
Bij de NOS gaat de telefoon.
'Wij willen een vervaarlijke drugsbende in Noord oprollen. Kan dat morgen?'
'Nee helaas, dan zitten we vol. (...) Maandag op z'n vroegst, kan het niet bij Rijnmond?'
'Nee we willen landelijk. Dan maar maandag.'

Reality tv beperkt zich allang niet meer tot 06-11 Weekend, maar gaat steeds vaker deel uitmaken van nieuws en actualiteiten. Een schoonmaakactie van de politie op de wallen? Een inval van het Amsterdamse kinderpornoteam? De ME contra de drugsterreur in Terneuzen? Telkens staan de camera's in de aanslag. Het is een verschijnsel dat we al langer kennen uit het actiewezen, waar het usance is om acties vooraf zo goed met de pers door te spreken dat het 'hoogtepunt' precies live in de uitzending kon komen. Een mooi voorbeeld was enige tijd geleden in Twee Vandaag te zien in een item over het protest tegen de 'gevaarlijke' gemodificeerde soja-boon. De uitzending begint om 17.35 en meteen schakelen we live over naar de Antwerpse haven, waar de verslaggever met een breed armgebaar laat zien dat de actie 'nu wordt beëindigd.' Op zijn teken vaart het bekende Greenpeace bootje weg van een vrachtschip, terwijl de camera inzoomt. Na het interviewtje met de Belgische actievoerder zwaait de camera nog eens de haven in om weer live te laten zien dat de actie nu echt wordt beëindigd: 'Dat laten we nog een keer zien,' zegt hij om te benadrukken hoe bijzonder het is dat we als televisiekijkers daar getuige van mogen zijn. En inderdaad, het is live en we zien het met eigen ogen, maar is het ook echt? Greenpeace voert actie en het gebeurt echt, maar tegelijkertijd is het een geënscèneerde werkelijkheid, gecreëerd door een belangengroep die de publieke opinie wil bewerken over de 'gevaarlijke' sojaboon. De pejarotieve term 'gemanipuleerde' sojaboon is inmiddels ingeburgerd, niet het neutrale woord 'gemodificeerd'.

Bij veel acties en invallen van de politie zal het beoogde pr-effect niet doorslaggevend zijn, het oprollen van die Rotterdamse drugsbende zou ook zonder camera's wel hebben plaatsgevonden. Dat neemt niet weg dat het tijdstip en de manier waarop wel degelijk een publiciteitsdoel dient. Een goede timing doet wonderen, zoals in het geval van de actie Gouden Kalf in 1993, toen in Amsterdam vijf wisselkantoren werden opgerold. De actie, waarover het tv-programma Nova vooraf was ingeseind, trok veel aandacht en speelde zich uitgerekend een dag voor de behandeling van de justitiebegroting in de Tweede Kamer af. Of neem de landing van de Amerikaanse troepen in Somalië in december 1992, 's nachts, niet vanwege de 'vijand' bij deze humanitaire actie, maar om live coverage in Amerikaanse prime time mogelijk te maken.

Pseudonieuws?

Zijn dit soort gebeurtenissen nog wel 'echt' nieuws, of is er sprake van soort gecreëerd pseudo-nieuws? De Amerikaanse historicus Daniel Boorstin signaleerde begin jaren zestig al in zijn boek The Image een toenemende stroom van 'pseudo-events' die de media halen. Pseudo-events gebeuren nooit spontaan, maar worden bedacht, gepland, aangekondigd, uitgevoerd en indien nodig -voor de camera's- herhaald. Dat kost allemaal geld en dus moet er ook een instantie zijn die er belang bij heeft om ze laten plaatsvinden. Volgens Boorstin wordt zo voor de media de vraag 'is it real' steeds minder belangrijk dan de vraag: 'is it newsworthy'? Vaak is er sprake van een self-fulfilling prophecy: de gebeurtenis is nieuws, omdat alle media erover berichten. Toch blijft het onderscheid tussen echte en pseudo-gebeurtenissen problematisch: het zal niet meevallen om aan de gijzelaars in Lima uit te leggen dat zij eigenlijk het slachtoffer zijn van een gecreëerd pseudo-event.

Charles Groenhuijsen en Ad van Liempt vinden in hun boek, 'Live! Macht, missers en meningen van nieuwsmakers op tv', het onderscheid tussen 'echt' en 'onecht' nieuws een van de moeilijkste kwestie in het selectieproces. In hun tekst staan beide woorden dan ook tussen aanhalingstekens. Een echte definitie van beide categorieën geven ze niet, wel enkele voorbeelden om duidelijk te maken dat journalisten soms bestookt worden met allerlei informatie die bij nader inzien niet als nieuws beschouwd kan worden. Het gaat bijvoorbeeld om allerlei bronnen die onderzoeksgegevens publiceren die vooral eigen belangen lijken te dienen. 'De technieken van nieuwsbronnen om de media en daarmee het publiek knollen voor citroenen te verkopen worden steeds verfijnder.' Zo zijn er proefballonnetjes van de ministers, uitnodigingen van pr-mensen voor een toespraak van de voorzitter die deze keer eens flink gaat uitpakken, en natuurlijk wetenschappers op zoek naar de grote doorbraak (Buck). Toch kunnen de uitnodigingen en aankondigingen van pr-mensen soms wel degelijk nieuws bevatten, vinden beide auteurs.

In 'Live!' komt het niet tot een duidelijke afbakening van 'echt' en 'onecht' nieuws en dat is begrijpelijk, want een onderscheid maken tussen 'echt' en 'onecht' is onze samenleving misschien ook wel onmogelijk geworden. Niet alleen omdat er veel gebeurtenissen plaatsvinden met als enige doel mediacoverage, maar ook omdat omgekeerd de media zelf zo'n grote invloed hebben op de gebeurtenissen, dat men zou kunnen spreken van een 'gecontamineerde' werkelijkheid. Enige tijd geleden waren er problemen rond het werven van tramconducteurs in Amsterdam. De journalist die met het GVB belde kreeg te horen dat hij niet mocht praten met de conducteurs, immers, 'zij zijn niet getraind in het omgaan met de media.'

Anticipatie op mediacoverage

Zo ongeveer iedereen die ooit maar een keer beroepshalve met de pers te maken heeft, is op dat contact op een professionele manier voorbereid. Men is gewapend en geharnast en niemand staat nog onbevangen voor de camera of de microfoon. Binnen iedere organisatie, instelling, belangengroep of partij anticipeert men bij belangrijke besluiten op de berichtgeving en daaruit voortvloeiende beeldvorming, eventueel bijgestaan door een communicatiedeskundige, die een perfecte oneliner voor de media kan bedenken, zoals die van Bisschop Muskens over het stelen van een brood.

In de wetenschap staat het 'zuiver' houden van het onderzoeksobject voorop: een experiment is mislukt als de stoffen niet zuiver zijn of niet alle relevante variabelen onder controle zijn. De journalist is wat dat betreft beter te vergelijken met de bioloog die onderzoek doet naar het gedrag van een groep apen. Iedere keer als de apen de onderzoeker in de gaten krijgen, gaan ze zich anders gedragen. De resultaten van zo'n onderzoek zijn wetenschappelijk gesproken geen stuiver waard.

mediavirus

Als het gaat om media-berichtgeving lijken we dat gegeven stilzwijgend te accepteren: journalisten verslaan een door het mediavirus gecontamineerde werkelijkheid, een maatschappelijke 'realiteit' die op alle mogelijke manieren is beïnvloed door de media zelf, door het anticiperen van bronnen op mogelijke media-exposure en door de creatie van gebeurtenissen. Maar we doen nog steeds alsof de verslaggever gebeurtenissen rapporteert die ook -op dezelfde manier- zouden plaatsvinden zónder de aanwezigheid en de aandacht van de media. Daarom ook speelt de journalist zelf geen rol in zijn nieuwsbericht; de waarnemer en de manier waarop hij aan zijn nieuws komt, moeten zo onzichtbaar mogelijk blijven.

Nu het onderscheid tussen 'echte' en 'onechte' gebeurtenissen steeds meer aan het vervagen is, zouden we ons moeten afvragen of het nog wel zin heeft om te volharden in de traditionele, maar enigszins naïeve beroepsopvatting van de onafhankelijke, onzichtbare waarnemer. Zou het niet veel zinniger zijn om de gecontamineerde werkelijkheid als gegeven te accepteren en naast het dagelijks nieuws ook aandacht te besteden aan de manier waarop dat nieuws is gecreëerd, door wie en met welke belangen? Kijkjes in de nieuwskeuken zijn nog steeds taboe, maar zou het niet van professionaliteit getuigen om de nieuwsconsument serieus te nemen en te infomeren over de manier waarop het publiciteitsspel door de verschillende partijen gespeeld wordt?

Westinghouse

De wegens moord ter dood veroordeelde Amerikaan William Kemmler, viel ruim een eeuw geleden de eer te beurt om als eerste geëxecuteerd te worden door electriciteit. Het idee was afkomstig van uitvinder Edison, die zo wilde bewijzen dat het wisselstroomsysteem van concurrent Westinghouse levensgevaarlijk was. Edison stelde na afloop enthousiast voor om voor deze methode het nieuwe werkwoord 'to westinghouse' in te voeren. In 1997 zouden we deze executie zeker als een smakeloze PR-stunt veroordeeld hebben en dus niet live hebben uitgezonden. Maar is er wel een wezenlijk verschil met al die andere gecontamineerde gebeurtenissen, waar we iedere dag dankzij de media getuige van kunnen zijn?



Larry Beinhart, American Hero. New York 1993.

Daniel J. Boorstin, The Image. 1962. Harmondsworth, Middlesex


Charles Groenhuijsen, Ad van Liempt, Live! Macht, missers en meningen van nieuwsmakers op tv. Den Haag 1995

vrijdag 18 oktober 1996

De echo van de Belgische beerput in de Nederlandse media

Hoe één opzienbarende zaak kan leiden tot groeiende bezorgdheid en de herdefiniëring van een 'herontdekt' maatschappelijk probleem
DE JOURNALIST 18 oktober 1996 

PETER VASTERMAN


Een schokkende gebeurtenis als de zaak Dutroux werkt heel lang door in het nieuws. Er onstaat een publicitair sneeuwbaleffect dat ervoor zorgt dat het thema kinderporno/prostitutie zich als een olievlek in de media gaat verspreiden. Situaties die lange tijd werden geaccepteerd, genegeerd of zelfs doodgezwegen - zoals prostitutie door jongeren- worden nu geherinterpreteerd en als ernstige maatschappelijke problemen gedefinieerd. Voor een deel is dat het werk van actiegroepen, belangengroepen en andere maatschappelijke stromingen die de sleutelgebeurtenis aangrijpen om hun visies naar voren te brengen. Voor een andere deel is dat het directe gevolg van de dynamiek die zich in de periode na een key event meester maakt van de media.

Toen de Belgische politie op 15 augustus bij een inval twee kinderen bevrijdde uit de kerkers van Marc Dutroux begon daarmee een van de grootste publiciteitsgolven die België ooit heeft meegemaakt. Dagen- ja zelfs wekenlang bestond er geen ander nieuws meer dan 'Dutroux'. Als oorlogsverslaggevers volgden honderden journalisten dagenlang de graafwerkzaamheden op het erf van de hoofdverfdachte. Zelfs internationaal, tot in Australië toe, was af en toe sprake van een waar mediaspektakel rond de Belgische kinderhorror .
Ook in Nederland heeft de zaak Dutroux in augustus dagenlang voor voorpaginanieuws gezorgd en voor een zekere lugubere suspense in de laatste dagen van deze reguliere komkommermaand: zou er immers nog hoop zijn voor An en Eefje? In vergelijking met de verpletterende mediagolf in België is de Nederlandse berichtenstroom een stuk beperkter, terwijl de toonzetting meestal redelijk ingetogen en nuchter is. Natuurlijk zijn er verschillen tussen bijvoorbeeld De Telegraaf ("An en Eefje ook dood") en NRC Handelsblad., hoewel ook deze krant het nieuws van de arrestatie van een man in Amstelveen de opening waard vindt op de voorpagina : "Zedenzaak vertakt naar Amsterdam."
De Nederlandse media laten zich minder meeslepen dan de Belgische, maar toch duiken er in de databank Lexis/Nexis, gerekend over de eerste zes weken, maar liefst 820 artikelen op waarin de naam Dutroux voorkomt, afkomstig uit elf dagbladen en het ANP, (goed voor 182 berichten). En ook de Nederlandse actualiteitenrubrieken en televisiejournaals vullen vele minuten -liefst live - met 'Dutroux'.
OPKOMST NIEUWSSTROOM NA DUTROUX
Als de allereerste opwinding over de 'Belgische Zedenzaak' luwt en er ook geen nieuws meer te melden valt uit de geheime kelders van Dutroux, zou men verwachten dat het onderwerp langzaam maar zeker uit het nieuws zal verdwijnen. Terugkijkend op de berichtgeving in de afgelopen maanden blijkt dat niet het geval. Naarmate er minder nieuws uit België te melden valt, groeit er een andere stroom berichten over allerlei gebeurtenissen, uitspraken, meningen, voorstellen en maatregelen die op de een of andere manier met 'Dutroux' te maken hebben. Het issue 'kinderporno' is door deze opzienbarende zaak op de agenda gezet en zal daar nog een hele tijd blijven staan.
In de eerste fase staan de schijnwerpers allemaal nog op België gericht. De nieuwshonger is groot, zowel bij het publiek als bij de media: elk nieuw detail kan in zo'n fase belangrijk nieuws zijn. Bovendien is de druk om met nieuws te komen extreem, hetgeen menigeen verleidt tot het publiceren van speculaties en geruchten.

CREATIE NIEUWSTHEMA
In de fase daarna creëert de sleutelgebeurtenis een nieuwsthema, een parapluie waaronder heel veel 'verwante' onderwerpen het nieuws zullen kunnen halen. Uit onderzoek naar nieuwsselectie blijkt dat één opzienbarende, spectaculaire zaak vervolgens een vloedgolf aan berichten zal opleveren die op de een of andere te maken hebben met het centrale issue. Een stroom die na verloop van tijd -als de oorspronkelijke aanleiding langzaam naar de achtergrond verdwijnt- niet afneemt maar juist aanzwelt. Dat blijkt ook te gelden voor de berichtgeving in de Nederlandse pers na Dutroux: wekenlang lezen we dagelijks artikelen of zien we reportages over kinderporno, kinderprostitutie, ontvoeringen, verdwijningen, en de gevolgen van seksueel misbruik.
De berichtgeving na zo'n opzienbarende gebeurtenis gaat zo een eigen dynamiek vertonen, die ervoor zorgt dat als het vliegwiel eenmaal op gang is gebracht de trein nog heel lang door zal rollen. Vooral ook omdat de publiciteit rond 'de zedenzaak' weer allerlei maatschappelijke reacties oplevert, variërend van organisaties die ageren tegen kindersekstoerisme tot en met politici die wijzigingen in de zedelijkheidswetgeving eisen. Al die toegenomen aandacht wekt bij het publiek soms de indruk dat het probleem plotseling sterk in ernst en omvang toeneemt, terwijl in feite alleen de aandacht ervoor is toegenomen en er in die publiciteitsgolf steeds meer uiteenlopende incidenten onder dezelfde noemer worden gebracht. Op welke manier gaan de media na 'Dutroux' aan de slag met het nieuwsthema 'kinderporno'? Welke onderwerpen, invalshoeken, en achtergronden komen aan bod en hoe reageert de samenleving?

VERGELIJKBARE INCIDENTEN
In eerste instantie zullen de media extra veel aandacht besteden aan gebeurtenissen die vergelijkbaar zijn met de Belgische zaak. Ieder nieuw geval van misbruik van kinderen, al dan niet ten behoeve van pornoproduktie zal in Nederland groot nieuws zijn, maar zulke incidenten zijn uiteraard schaars. De grootscheepse arrestatie van de man uit Amstelveen is natuurlijk groot nieuws, ook omdat daarmee het beeld van een internationaal netwerk met vertakkingen naar Nederland wordt bevestigd. Even later wordt de man overigens weer vrijgelaten. Veel aandacht, vooral op tv, gaat eind augustus ook uit naar de verdwijning van de Luikse tieners, die na twee dagen worden teruggevonden. Een maand later blijkt dat zij hun eigen ontvoering hebben verzonnen, hetgeen nauwelijks aandacht in de pers krijgt. Opzienbarend is ook de zaak van het Duitse meisje dat door haar tante en haar vriend zou zijn ontvoerd naar een camping in Nederland. Volgens de politie zou het meisje gedwongen worden tot prostitutie en was er in de woning van de twee een lijst aangetroffen met namen van twaalf andere kinderen die geprostitueerd zouden worden. Later zijn er nog andere incidenten die het nieuws halen ("Nijmegenaar van gijzelen vier meisjes verdacht", "Schiedams meisje bevrijd na korte ontvoering" en "Duitser maakte porno met meisje"), en die lijken te bevestigen dat ook Nederland zijn 'Dutrouxs' kent. Ook bij de rechtszaak tegen een man die polaroidfoto's maakte van seksuele handelingen met een meisje van acht jaar trekt de Officier van Justitie een vergelijking met de Belgische zaak-Dutroux, "al zijn de zaken niet op één lijn te stellen." De foto's waren immers niet voor de verkoop.

DE BELGISCHE CONTEXT
Sommige van deze voorvallen zouden ook onder 'reguliere' omstandigheden nog wel de krant hebben gehaald, maar zouden zonder 'Dutroux' zeker veel minder aandacht gekregen hebben. Al gaat het bij nader inzien om losstaande incidenten van misbruik van kinderen -vaak door ouders, verwanten of bekenden in plaats van door onbekende daders- de 'Belgische context' zorgt voor een bevestiging van het beeld dat er overal professionele kidnap- en pornonetwerken actief zijn, óók in Nederland. Dat beeld wordt versterkt door al het afgeleide 'zeden' -nieuws dat in de nieuwsstroom boven komt drijven, omdat het nieuwsthema nog steeds actueel is en de maatschappelijke verontrusting nog steeds groot is. Als er zich geen nieuwe, met België vergelijkbare, incidenten voordoen, verplaatst de aandacht zich naar het reconstrueren van 'oude' zaken en het weergeven van meningen, reacties en voorstellen van woordvoerders van belangengroepen (zoals Terre des Hommes) die ernaar streven om kinderporno en prostitutie als een ernstig en omvangrijk maatschappelijk probleem te definiëren.

OUDE ZAKEN ALS NIEUWS
In de eerste plaats komen oude, al dan niet eerder in de publiciteit behandelde, zaken alsnog of opnieuw in het nieuws. Zo krijgen de uitspraken van seksuoloog Jos Frenken veel aandacht, die in Nova bijna achteloos laat vallen dat dat er in Nederland vijftien seksueel misbruik netwerken bekend zijn. Dat wil zeggen bekend bij de politie en inmiddels grotendeels allemaal opgerold. Bovendien gaat het volgens de politie niet om georganiseerde criminaliteit, maar om kleine groepjes die netwerken vormen om materiaal uit te wisselen. In de media wordt Frenkens term 'seksueel misbruik-netwerken' al snel vervangen door de term 'kinderpornonetwerken'.
In Stockholm waar eind augustus het eerste Wereldcongres plaatsvindt tegen Seksuele Commerciële Uitbuiting van kinderen uit minister Sorgdrager forse kritiek op de uitspraken van Frenken. Het congres zelf is natuurlijk voor de media een goede aanleiding om de zaak Dutroux in een breder internationaal kader te plaatsen. 'Dutroux' zorgt voor de verbinding tussen misbruikte kinderen in het westen en de kinderprostitutie in de Derde Wereld. Ter illustratie laat het NOS Journaal een interview zien met een onherkenbaar gemaakt slachtoffer van kinderporno ("Het gebeurt hier even hard als in België"), al is niet duidelijk van welk netwerk zij slachtoffer was en of het tot een veroordeling is gekomen.
Een andere zaak uit het verleden is die van een Vlaams-Nederlands kinderpornocircuit dat tussen 1990 en 1992 minderjarige jongens en meisjes uit België naar Utrecht smokkelde om voor porno-opnames. Sommige Nederlandse kranten nemen ook het nieuws over van de Belgische krant De Morgen die onthult dat in de jaren zestig herhaaldelijk jonge meisjes werden misbruikt op een luchtmachtbasis in Belgisch-Limburg."De krant baseert zich op getuigenissen van twee slachtoffers. De vrouwen - meisjes toen - moesten volgens de krant ook deelnemen aan bizarre rituelen, zoals zwarte missen met dierenoffers, verkrachtingen en folteringen." Aldus het Brabants Dagblad. Zo komt via Dutroux satanisch ritueel misbruik -enkele jaren geleden een hot issue- weer in beeld.
Een andere manier om de omvang van het probleem in kaart te brengen is zoals Panorama doet het samenstellen van een "schokkend dossier.". Op de cover staan vage fotootjes van kinderen met als kop: "Deze 26 kinderen worden in Nederland misbruikt. Herkent u ze? Bel 023-5463341." In een verhaal met als titel "Het is nog veel erger dan iedereen denkt...." brengt Panorama een overzicht van alle kinderporno/misbruikzaken uit de afgelopen jaren. "Het lijkt onvoorstelbaar, maar de 'sexhorror' rond de ontvoerde en gruwellijk misbruikte jonge meisjes in België is absoluut geen lokaal incident. Ook in Nederland zijn de afgelopen jaren niet te vatten gruwelijkheden aan het licht gekomen waarbij jonge kinderen beestachtig werden misbruikt."

TWEE VANDAAG EN HET SPARTACUS NETWERK
De meest opvallende reportage in dit kader is die van het programma Twee Vandaag van 27 augustus die in één moeite door vanuit 'Dutroux' een brug slaat naar wereldwijde kinderpornonetwerken waarin invloedrijke Nederlanders actief zouden zijn. Twee Vandaag: "Ook mensen in Nederland zijn betrokken bij een wereldwijd netwerk van de commercële seksuele exploitatie van kinderen. (...) Ook in Nederland verdwijnen kinderen, worden kinderen gedood en mishandeld." De reportage wekt de indruk dat achter de Spartacus Guide, een bekende reisgids voor homo's, in werkelijkheid een kinderprostitutie- en kinderpornonetwerk schuilgaat. 'Undercover' probeert de verslaggever om via een adres uit de gids een jongen van "zestien, vijftien" te 'bestellen.' Of dat ook lukt, blijft onduidelijk. Prostitutie van (homo-) jongeren is op zich geen nieuws, maar in het licht van 'België' krijgt het een andere betekenis.
Vervolgens wordt in de reportage gesuggereerd dat Theo Sandfort van de Utrechtse Universiteit - "een invloedrijke Nederlander" - deel uitmaakt van dat wereldwijde kinderpornonetwerk; de Engelse versie van zijn proefschrift (over seksuele contacten in de vroege jeugdjaren met leeftijdsgenoten en volwassnenen) is immers ooit verschenen bij uitgeverij Spartacus. Theo Sandfort heeft inmiddels een rectificatie geëist van Twee Vandaag .

THEMATISCHE GERELATEERDE ONDERWERPEN
Op de tweede plaats krijgen thematisch gerelateerde onderwerpen steeds meer aandacht, waardoor er een verbreding van het oorspronkelijke thema plaatsvindt. 'Kindermoord en 'kinderporno' wordt gekoppeld aan 'kinderprostitutie', 'sekstoerisme', 'kindermishandeling', en meer algemeen de uitbuiting van kinderen. Het congres is Stockholm over kinderprostitutie en misbruik krijgt daardoor nog veel meer aandacht dan van tevoren al verwacht mocht worden. Bij veel artikelen over thematisch gerelateerde onderwerpen staan foto's die te maken hebben met de zaak Dutroux.
Door die verbreding groeit de nieuwsstroom, want steeds meer zaken en onderwerpen worden onder dezelfde actuele noemer gebracht. Dat kan zo ver gaan dat zo'n beetje alles wat het kind kan bedreigen het onderwerp van een verhaal wordt, zoals in Hervormd Nederland: "Hoe veilig is het kind in Nederland?" (...) "Het aantal slachtoffers dat wereldwijd voor kinderporno is misbruikt kan volgens Interpol oplopen tot ruime twee miljoen kinderen."

VERBREDING BEGRIPPEN EN DEFINITIES
Opvallend is dat 'minderjarig' gelijk gesteld wordt in de berichtgeving aan de term 'kind'. Alle vormen van prostitutie waarbij minderjarige jongens en meisjes betrokken zijn, gaan na 'Dutroux' kinderprostitutie heten. Er zijn in het verleden tal van reportages verschenen over bijvoorbeeld allochtone jongens die zich prostitueren, maar zelden of nooit werd daarvoor de term 'kinderprostitutie' gehanteerd. Ook in de berichtgeving dit voorjaar over de veertien jonge Utrechtse meisjes, die door hun Marokkaanse 'vrienden' werden gedwongen zich te prostitueren werd deze term niet gebruikt.
Eenzelfde verbreding treedt op rond de term 'kinderporno': op grond van de Belgische zaak denkt het publiek aan gruwelijke zaken, maar in de publiciteitsgolf worden al snel ook afbeeldingen van blote kinderen/jongeren onder de noemer van kinderporno gebracht. InTwee Vandaag bladert een deskundige door het fotoboek van Sally Mann om meteen te concluderen dat een foto van een kind met kleding aan, slapend naast een paar balen een stuitende vorm van kinderporno is. ("Getver... dit gaat echt te ver, dit wekt bij mij alleen walging."). Dezelfde foto's stonden overigens een paar jaar geleden nog prominent in de New York Times zonder aanstoot te geven.
Onder thematisch gerelateerd nieuws vallen ook onderwerpen als 'seks en geweld in de reclame' (waarbij vooral campagnes van Mexx en HIJ het moeten ontgelden), vermissingen (er kan immers een verband zijn met de Belgische zaak), de zin van lange gevansisstraffen en tbs behandeling en de gevolgen van het verdwijnen van aparte afdelingen zedenzaken bij veel korpsen.
Veel schaarser zijn de artikelen of reportages waarin pedofielen zelf aan het woord komen, zoals in HP/De Tijd en De Volkskrant: : "Pedofiel heeft gevoel terug bij af te zijn. Slinger van de tijd slaat door naar repressie." Dat zijn dissidente geluiden in een brede stroom aan berichten die allemaal bevestigen dat de kinderpornonetwerken een omvangrijk probleem vormen en dat pedofielen daarin een hoofdrol spelen.

INVLOED BELANGENGROEPEN
Op de derde plaats is veel van het thematisch gerelateerde nieuws afkomstig van belangengroepen die hun kans grijpen hun standpunten uit te dragen. Het gevolg is een toename van speciaal voor de media gecreëerd of door de media uitgelokt nieuws. Een goed voorbeeld is de uitspraak van het CDA-kamerlid Hillen over de wenselijkheid van chemische castratie, waarbij juist de keuze van die term garant staat voor een klein publiciteitsgolfje.
Daarnaast nemen christelijke partijen en de EO de gelegenheid waar om de discussie over de leeftijdsgrens van twaalf jaar en het zogenaamde klachtvereiste nieuw leven in te blazen met als argument dat de huidige wetgeving kinderen onvoldoende bescherming biedt tegen pedofielen.
Vergelijkbaar is de 'actie' van de PvdA naar aanleiding van een Netwerk reportage tegen de verkoop van heimelijk opgenomen video's en foto's van naakte spelende kinderen. Omdat geen sprake is van seksuele gedragingen, vallen de beelden niet onder kinderporno en is verkoop dus geen strafbaar feit.
De actiegroepen op het terrein van het kindersekstoerisme kunnen nu ook rekenen op de belangstelling van de media. Woordvoerders van de Stichting Retour en Childright Worldwide gebruiken de Belgische zaak om te 'bewijzen' dat het niet allemaal ver van het bed plaatsvindt, maar ook dicht bij huis. In De Telegraaf: leidt dat tot een groot beschuldigend verhaal: "Kinderporno is overal. Volgens gegevens van de politie ligt het aantal misbruikte kinderen rond de 10.000. Ongeveer 1.000 kinderen werken in de prostitutie." Of al die 10.000 kinderen zijn misbruikt voor kinderporno blijft onduidelijk, evenmin op welk tijdvak het getal betrekking heeft. Waarschijnlijk wordt hier misbruik in het algemeen bedoeld en misschien gaat het om jongeren die actief zijn in de prostitutie.
Velen proberen mee te liften op de publiciteitsgolf na Dutroux, zoals ook de deskundige in de NRC Handelsblad die op de opiniepagina in een adem door België verbindt met kindermishandeling in het algemeen. Ook hier rollen de tienduizenden meldingen over de tafel en is er sprake van de spreekwoordelijke ijsberg. Ter onderbouwing van het betoog heeft NRC de foto's van An en Eefje nog maar eens afgedrukt.
VERKEERDE BEELDVORMING ROND LIBERALISERING ZEDENWET
Tenslotte oefenen opzienbarende, verontrustende gebeurtenissen een grote druk uit op de decision makers in de politiek om een gebaar te maken en maatregelen aan te kondigen. De pers besteedt veel aandacht aan de reacties van politici op 'Stockholm' en aan het besluit van de EU ministers van Justitie en Binnenlandse zaken om Europol te belasten met de opsporing van kinderporno en gedwongen prostitutie.
Een belangrijk gevolg van de zaak Dutroux is de overweging van de regering om de leeftijdsgrens van twaalf jaar in zedelijksheidswetgeving uit 1991 te verhogen naar veertien jaar. De nogal confronterende reportage van EO Tijdsein is blijkbaar niet zonder gevolgen gebleven en veel kranten, zoals ook Trouw , schrijven over het terecht terugdraaien van de liberalisering van de wetgeving uit 1991. Volgens Trouw zou de door Hirsch Ballin ingediende wet zou ertoe hebben geleid "dat in de praktijk moeilijk kon worden opgetreden tegen kinderprostitutie en kinderporno." De vorige minister van Justitie, Ernst Hirsch Ballin, maakt in een uitgebreide ingezonden brief vervolgens duidelijk dat deze "beschuldigingen de zaken werkelijk volkomen op hun kop zetten." Er is geen sprake van dat de wetgeving uit 1991 een versoepeling inhield ten opzichte van de periode daarvoor. Het klachtvereiste is niet in 1991 ingevoerd als liberalisering, maar bestond al vanaf 1936. In de nieuwe wet is deze regeling versterkt en geldt deze voor meisjes én jongens tot 16 jaar. Trouw slaat de plank mis vindt de verontwaardigde ex-minister omdat kinderporno en kinderprostitutie onderwerp zijn van bepalingen in het strafrecht en die zijn juist aanzienlijk aangescherpt. Toch is dat wel de teneur in de meeste commentaren: het zou goed zijn als de leeftijdsgrens wordt verhoogd want er is onvoldoende bescherming tegen de pedofielen.
DE VERANDERDE WAARNEMING
Een schokkende gebeurtenis als de zaak Dutroux werkt op deze manier heel lang door in het nieuws. Er onstaat een publicitair sneeuwbaleffect dat ervoor zorgt dat het thema kinderporno/prostitutie zich als een olievlek in de media gaat verspreiden. Situaties die lange tijd werden geaccepteerd, genegeerd of zelfs doodgezwegen - zoals prostitutie door jongeren- worden nu geherinterpreteerd en als ernstige maatschappelijke problemen gedefinieerd. Voor een deel is dat het werk van actiegroepen, belangengroepen en andere maatschappelijke stromingen die de sleutelgebeurtenis aangrijpen om hun visies naar voren te brengen. Voor een andere deel is dat het directe gevolg van de dynamiek die zich in de periode na een key event meester maakt van de media.
De publiciteitsgolf leidt uiteindelijk tot een verschuiving in de maatschappelijke consensus, zoals treffend wordt geïllusteerd door de verwijdering van een foto bij een tentoonstelling van Robert Mapplethorpe, waarover NRC Handelsblad: schreef: "De galeriehouders besloten een van de foto's uit de verzameling, Rosalie (1976) te schrappen, omdat die foto een driejarig meisje toont dat op een bank zit en onder haar jurkje geen ondergoed draagt. De beslissing volgt op een goede raad van de Britse politie, die van oordeel is dat in de huidige context van internationale pedofiliezaken de waarneming van foto's met (halfnaakte) kinderen niet meer dezelfde is als in 1976."

vrijdag 23 februari 1996

ADHD-HYPE het is erg, het is verontrustend en het neemt toe.

Steeds meer kinderen vertonen gedragsstoornissen. Is er sprake van een verontrustende toename of neemt alleen maar de aandacht voor dit soort problemen toe? 'ADHD has become a terrible fad.'
GEPUBLICEERD IN DE JOURNALIST VAN 23 FEBRUARI 1996


Peter Vasterman

Het aantal kleuters met gedragsproblemen is in de afgelopen tien jaar verdubbeld, het aantal jongeren dat wordt verdacht van moord en doodslag is in dezelfde periode zelfs verdriedubbeld, een op de twintig kinderen lijdt aan het zogenaamde ADHD-syndroom (Attention Deficit Hyperactivity Disorder), vijftien procent van de kinderen op de basisschool vertoont concentratiestoornissen en 28 tot 42 procent van de kinderen heeft voedselallergieën, die weer aggressiviteit en hyperactiviteit veroorzaken. Daarmee is hyperactiviteit de meest voorkomende psychiatrische stoornis onder kinderen. Bij ouders die zich slachtoffer voelen van hun eigen onhandelbare kinderen, kan sprake zijn van 'oudermishandeling'. Daarnaast zijn er ook nog allerlei gezondheidsproblemen: een kwart van de kinderen heeft slaapproblemen, een op de vijf leerlingen in de leeftijd van vier tot zes jaar kampt met een lichamelijk beperking, zoals een beperkt uithoudingsvermogen door luchtwegklachten of een spraakstoornis.

een ziekmakend virus?

Al deze gegevens zijn afkomstig uit allerlei recente publikaties en reportages, waarin de noodklok werd geluid over het groeiend aantal kleuters, kinderen en jongeren met allerlei ernstige gedragsstoornissen. 'Wie alles optelt wordt er duizelig van.' Aldus NRC Handelsblad (22/7/95) in een van die vele alarmerende verhalen: 'Waart er een ziekmakend virus rond onder de kinderen; wordt het Nederlandse kind almaar ongezonder? Of zijn onderzoekers en belanghebbenden doende hun subsidies veilig te stellen?' Zijn er meer problemen of erkennen we ze sneller, vraagt een deskundige zich in dit stuk af.
Gezien de belangrijke rol van de media zou je daar aan toe moeten voegen: Of zijn het de media die telkens weer 'nieuwe' syndromen, ziektes en stoornissen ontdekken, opkloppen en uitvergroten? Komt het door journalisten die er zelden bij stilstaan dat allerlei zogenaamde 'toenames' het gevolg zijn van bredere definities of andere onderzoeksmethoden? En dat juist de publiciteit weer leidt tot een toename van het aantal meldingen?

de maatschappelijke perceptie

Leg je een willekeurge selectie uit de reportages en artikelen over al die 'brekebeentjes' naast elkaar, dan ontdek je dat journalisten tamelijk ééndimensionaal aan de slag gaan met dit soort onderwerpen. Men lijkt te werken volgens een vast schema: dit is het probleem, dit is de oorzaak, een op de tien heeft het al, het neemt bovendien toe, dat is verontrustend en dus moet er iets aan gedaan worden. Wat is hierop uw reactie? Er is dan ook weinig fantasie voor nodig om te voorspellen hoe een willekeurige actualiteitenrubriek zo'n item over bijvoorbeeld 'gedragsstoornissen bij kinderen' in elkaar zal zetten. Ernstiger dan deze voorspelbaarheid is het feit dat de verslaggevers zich er niet van bewust lijken te zijn dat niet zozeer de werkelijkheid verandert, als wel de maatschappelijke perceptie van die werkelijkheid. Met andere woorden: in de meeste gevallen worden 'de problemen' niet erger, maar (h-) erkennen we ze eerder en vinden we ze ernstiger dan vroeger.

meer meldingen van kindermishandeling

Vroeger kwam kindermishandeling op een veel grotere schaal voor dan nu. Toch zijn de cijfers al jaren aan het stijgen. Dat betekent natuurlijk niet dat kindermishandeling is toegenomen -zoals telkens weer wordt gemeld- eerder het tegendeel. De maatschappelijke definitie van kindermishandeling is veranderd (wat vroeger een ferme tik was van de hoofdonderwijzer is nu 'mishandeling'), terwijl er bovendien nu veel meer op wordt gelet. Er is een netwerk van vertrouwensartsen, leerkrachten krijgen trainingen om signalen van kindermishandeling te herkennen en er zijn voorlichtingscampagnes s ('Over sommige geheimen moet je praten'). Het gevolg van die inspanningen is niet dat de mishandeling toeneemt, maar dat het probleem zichtbaarder wordt. Vandaar de paradox dat dergelijke campagnes juist leiden tot een 'toename' van het probleem, dat wil zeggen tot meer meldingen van kindermishandeling.

een verontrustende toename

Een ander kenmerk van het ééndimensionale verhaal is het bij elkaar vegen van zeer uiteenlopende problemen en gedragsstoornissen, waardoor niet alleen de indruk wordt gewekt dat Het Probleem zeer ernstig is, maar ook nog eens dat sprake is van een verontrustende toename.
Een goed voorbeeld hiervan was de Brandpunt reportage van 13 oktober 1995 over kleuters met gedragsstoornissen. Een streng kijkende Fons de Poel opent met een uitgebreide opsomming:
'Faalangst, groeistoornissen, taalachterstand, contactarmoede, het aantal kleuters met leer- en gedragsstoornissen is de afgelopen tien jaar verdubbeld. Hoe is dat mogelijk? Een alarmerend bericht over de allerjongsten in de samenleving.' De verslaggever heeft zich in één geval verdiept van een (waarschijnlijk) hyperactief jongetje (waarschijnlijk, want een duidelijke diagnose wordt niet gegeven) en concluderen: 'De Nederlandse kleuter wordt moeilijker en moeilijker. Volgens recent onderzoek zijn er steeds meer kinderen met extreme leer- en gedragsstoornissen. Het aantal kleuters dat daarom speciaal onderwijs nodig heeft, is de afgelopen tien jaar verdubbeld.'
Zo stoeit de redactie nog even door met de cijfers, want Timmy, de hoofdrolspeler in de reportage, blijkt 'een van de 3200 kleuters in Nederland met dit type gedrag. Hun aantal groeit, dan doemt de vraag op wat de gevolgen kunnen zijn.' En inderdaad, daar voorspelt een sombere deskundige weer Amerikaanse toestanden, van zwerfgedrag, criminaliteit tot en met een toename van moord en doodslag.
Over welke problemen van welke kleuters het nu eigenlijk precies gaat, wordt niet duidelijk. Er is sprake van: 'gedragsstoornissen, faalangst, groeistoornissen, taalachterstand, contactarmoede, leerstoornissen, extreme leer- en gedragsstoornissen', en van 'een combinatie van spraak, taal en motoriek problemen.' Maar of de 'probleemkleuter' dat allemaal in even sterke mate heeft, mag betwijfeld worden.

één groot containerbegrip

Het visnet wordt breed uitgeworpen en dus komt er van alles in terecht: allerlei problemen, van klein tot groot, van groeistoornissen tot en met hyperactiviteit, worden in die éne grote container: 'gedragsstoornissen' gedumpt, samen met wat willekeurige cijfers. Toch is er een wereld van verschil tussen een autistisch kind en een kleuter met concentratiestoornissen. Het enige echt 'harde' cijfer in de reportage is het gegeven dat het aantal kinderen in het speciaal onderwijs in de afgelopen tien jaar is verdubbeld. Maar dat cijfer hoeft nog niet hoeft te betekenen dat het aantal kinderen met problemen ook is verdubbeld. Misschien is dat aantal juist wel afgenomen dankzij dat speciaal onderwijs. Misschien gaat het wel beter dan ooit met het Nederlandse kind, juist omdat er steeds meer kinderen aan allerlei testen worden onderworpen en niet meer aan hun lot worden overgelaten zoals vroeger het geval was.
Arme Timmy, het slachtoffer in Brandpunt, hij wordt met zijn vrolijke feestmuts op zijn zesde verjaardag al afgeschilderd als een potentiële crimineel, die ervoor zal zorgen dat moord en doodslag over een jaar of tien met zestig procent zullen toenemen, net als in de VS.

rust en regelmaat

De ééndimensionale aanpak in dit soort reportages roept een soort dreigingsbeeld op waarin geen plaats is voor nuanceringen en relativeringen. Het is erg, het is verontrustend en het neemt toe.
Wat de oorzaken betreft heeft Brandpunt slechts oog voor de ouders die hun kinderen té tolerant zouden opvoeden: 'het is de school die voor steeds meer kleuters een oase van rust regelmaat en aandacht daar is een duidelijke structuur die thuis kennelijk ontbreekt, omdat ouders door hun eigen problemen steeds meer de greep op de opvoeding verliezen.' Geen woord over allerlei andere oorzaken van gedragsstoornissen bij kleuters zoals het vroeger zo populaire 'minimal brain damage,' de voorloper van ADHD.

ADHD en jeugdcriminaliteit

Eéndimensionaliteit betekent ook: het uitvergroten van één aspect en geen oog hebben voor allerlei andere mogelijke benaderingen en verklaringen. Terwijl Brandpunt geen enkele keer verwijst naar mogelijk biologische oorzaken van afwijkend gedrag bij kinderen, slaat het NOS Journaal weer helemaal door naar de andere kant. Het komt allemaal door de hersenstoornis ADHD en het kan prima met medicijnen aangepakt worden.
'Criminaliteit onder jongeren kan voorkomen worden door behandeling.' Op een donkere zaterdagavond in december komt het NOS Journaal met de verrassende mededeling dat eindelijk de oorzaak van de snel om zich heen grijpende jeugdcriminaliteit ontdekt is. Joop van Zijl: 'Ze worden gepakt voor berovingen, mishandelingen, doodslag en moord. Jeugdige criminelen van 12 tot 18 jaar, en ze belanden vaak voor de rechter en in de cel. Dat kan worden voorkomen, dat zegt de Haagse kinderpsychiater Dorelijers. Hij heeft een onderzoek gedaan onder 100 criminele jongeren en volgens Dorelijers zijn veel jeugdige criminelen ontspoord door de psychiatrische stoornis ADHD, die veroorzaakt hyperativiteit en concentratieproblemen bij jongeren. Door een vroegtijdige behandeling onder andere door medicijnen kan worden voorkomen dat deze jongeren het criminele pad opgaan. Maar justitie heeft daar nu onvoldoende oog voor.'

steeds crimineler

Terwijl we beelden zien van gevangenissen, horen we: 'Jongeren worden volgens de onderzoeker steeds crimineler en gewelddadiger, het aantal jongeren dat wordt verdacht van moord en doodslag is de afgelopen tien jaar meer dan verdrievoudigd.
(...) De Haagse psychiater Dorelijers en zijn team van onderzoekers ontdekten dat de stoornis ADHD een belangrijke rol speelt bij het ontwikkelen van crimineel gedrag.'
Vervolgens komt Dorelijers zelf uitleggen wat ADHD is en dat de kans dat deze kinderen afglijden naar het criminele circuit volgens Amerikaans onderzoek tien keer zo groot is als bij gewone kinderen. Het goede nieuws is dat Dorelijers een test zal ontwikkelen voor het vaststellen van ADHD.
Er duiken na het zien van een dergelijk Journaalitem allerlei vragen op: is het wel terecht om zo stellig uit te pakken over ADHD als oorzaak van jeugdcriminaliteit? Als er nog geen test is om ADHD vast te stellen, hoe kan de psychiater dan zo zeker zijn van zijn zaak? Welke belangen spelen hierbij een rol?
Merkwaardig is ook dat het onderwerp eigenlijk helemaal geen nieuws is: het proefschrift van Dorelijers is al in april 1995 verschenen en heeft toen ook al wat publiciteit opgeleverd. Bovendien is toen helemaal niet zo sterk de nadruk gelegd op ADHD. Wie het boek van Dorelijers ('Diagnostiek tussen jeugdstrafrecht en hulpeverlening.' Arnhem 1995) er nog eens op naslaat, ontdekt dat het woord ADHD slechts een keer of zeven voorkomt in het dikke proefschrift. ADHD komt in het onderzoek aan de orde als een van de vele psychische stoornissen waar jonge delinquenten mee te maken hebben, naast bijvoorbeeld: 'antisociale gedragsstoornissen, affectieve stoornissen, dreigende persoonlijkheidsstoornissen en middelenmisbruik.' (p. 172). Verder is er veel 'psychopathologie in de familie' en 'veel geweld in het gezin'. Er is dus vaak veel meer aan de hand, dan enkel ADHD, zeker in de sociale omgeving van deze jongeren.

angst voor stigmatisering

Het onderzoek levert geen duidelijke ondersteuning voor de stellige uitspraak van het Journaal dat veel jeugdige criminelen zijn ontspoord door ADHD. De beelden bij het Journaalitem tonen overigens vooral allochtone jongeren en ook in de steekproef van Dorelijers waren zij oververtegenwoordigd, maar geen woord daarover in het Journaal. Speelt hier angst voor stigmatisering een rol of blijft men omwille van de overzichtelijkheid van de reportage krampachtig vasthouden aan de eenzijdige ADHD-hypothese?
Een probleem is verder dat Dorelijers ook een geen sluitende definitie geeft van ADHD en dat de door hem aan de jongeren voorgelegde testen ook niet specfiek ADHD meten maar bijvoorbeeld 'aandachtstekortstoornis' (14 procent), door Dorelijers vervolgens omschreven als 'de diagnose ADHD'.
Het NOS Journaal zorgt zodoende voor een sterke uitvergroting van een schijnbaar specifieke stoornis, namelijk ADHD, terwijl de definiëring en de diagnostisering daarvan nog onduidelijk is. Volgens de Amerikaanse auteurs van 'Driven to Distraction' (Simon & Schuster, 1995) gaat het om 'inattention, hyperactivity, impulsivity and distractibility, though there is no one definitive test for ADHD and no single cause can be found.'

ADHD heavily over-diagnosed

Het is overigens typerend voor de berichtgeving over dit soort problemen dat de cijfers almaar blijven stijgen, hoewel het dus niet gaat om een eenduidig 'ziektebeeld'. Eerst is nog is sprake van van twee procent van alle kinderen, vervolgens van vijf procent en dan zelfs van tien procent (een op de tien!). Duidelijk is in ieder geval dat ADHD in de VS, waar ook een grote controverse is ontstaan over het voorschrijven van medicijnen, het hoogste scoort van alle bij kinderen vastgestelde gedragsstoornissen. The New York Times schreef vorig jaar dan ook: 'There is now an attempt to pathologize what was once considered the normal range of behavior of boys. Today, Tom Sawyer and Huckleberry Finn surely would have been diagnosed with both conduct disorder and ADHD.'
Dr. Tom Gumpel van de Hebrew University en voorzitter van de in mei 1995 georganiseerde internationale conferentie over 'Attention Deficit Disorders' verklaarde tegenover The Jerusalem Post(19 mei, 1995): 'ADHD is heavily over-diagnosed and there is so much misinformation about it. Now we have a label for the same behaviors we saw 10 year ago, and it's a dubious label at best. (...) Everybody probably has ADHD-like symptoms at some point in his life. ADHD has become a terrible fad.'

toename ADHD

Het gevolg van veel publiciteit rond een modieus 'catch-all' begrip als ADHD zal onherroepelijk zijn dat steeds meer artsen, hulpverleners en ouders dat soort symptomen zullen gaan herkennen bij kinderen met de meest uiteenlopende gedragsstoornissen, zodat het NOS Journaal over eind 1996 kan melden dat het aantal ADHD-kinderen het afgelopen jaar met tientallen procenten is toegenomen.
Er is natuurlijk niet één ziekte die de jeugdcriminaliteit in z'n geheel kan verklaren, evenmin als gedragsstoornissen uitsluitend worden veroorzaakt door té tolerante ouders. Zoals NRC Handelsbladschreef zijn onderzoekers en belanghebbenden altijd druk doende om via de publiciteit hun subsidies veilig te stellen. Van journalisten mag men enige distantie verwachten en bovendien een kritisch benadering van al die vermeende toenames van stoornissen en gedragsproblemen.

donderdag 6 juli 1995

Het ijsbergsyndroom in de media

'Zwakzinnigen vaak misbruikt.' Is het afbreken van een taboe een vrijbrief voor overrapportage van het nieuwe verschijnsel? De vijf valkuilen van het verraderlijke ijsbergsyndroom.


GEPUBLICEERD IN DE JOURNALIST 6 JULI 1995

Peter Vasterman

Half juni 1995 werd Nederland opgeschrikt door flinke koppen op de voorpagina's: 'Zwakzinnigen vaak misbruikt. Ruim 1100 gevallen in twee jaar.' 'Duizenden verstandelijk gehandicapten misbruikt.' 'Verstandelijk gehandicapte vogelvrij.' Aanleiding voor deze verontrustende berichten is de publikatie van een onderzoek van het NISSO naar seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke handicap.

duizenden gevallen

Het is opvallend dat alle verslaggevers er zonder meer aannemen dat het hier gaat om een betrouwbaar en vooral ook representatief onderzoek. Dagblad Tubantia: 'Onderzoek onder representatieve groep toont duizenden gevallen aan.' Voor de lezer is het echter onmogelijk om op grond van de mediaberichtgeving na te gaan hoe het staat met die representativiteit, hoe de steekproef eruit ziet en hoe dat misbruik is gedefinieerd. Er zijn blijkbaar geen journalisten geweest die de onderzoekster Willy van Berlo eens aan de tand hebben gevoeld over haar onderzoeksopzet.

valkuilen

Er duiken tal van percentages op in de berichtgeving - 1,2% van de verstandelijk gehandicapten is misbruikt, bij 1,3% bestaat een vermoeden, vormen van penetratie: 34% - maar hoe 'hard' zijn die percentages eigenlijk? Valt een percentage van 10 procent te vertrouwen als blijkt dat er maar 7 (zeven!) gevallen achter schuil gaan?
Reden om eens kritisch te kijken naar de valkuilen bij een dergelijk 'representatief' onderzoek.

1] De steekproef.

Uiteraard is er niet gewerkt met een steekproef van verstandelijk gehandicapten, maar van orthopedagogen, psychologen, groepshoofden en hoofden van gezinsvervangende tehuizen. Dat onderscheid is in sommige artikelen niet duidelijk.
Bij een non-response 40 procent concludeert Van Berlo dat de respons gezien het onderwerp 'redelijk tot hoog' is. Dat mag wel zo zijn in vergelijking met andere onderzoeken naar misbruik, het betekent nog altijd dat je over die 40 procent geen enkele uitspraak kunt doen. Met andere woorden er kan een behoorlijke vertekening zitten in de steekproef: doen mensen niet mee omdat ze niks te melden hebben of juist heel veel, die vraag blijft onbeantwoord.

2] De definiëring.

Bij melden van gevallen van seksueel misbruik moesten de respondenten zich houden aan de definitie van de onderzoekster: 'seksuele contacten tussen normaalbegaafden en verstandelijk gehandicapten die plaatsvinden tegen de zin van de verstandelijk gehandicapte (...) of wanneer er sprake is van een professionele hulpverlener-cliënt relatie. (...) Of: seksuele contacten tussen twee verstandelijk gehandicapten die plaatsvinden tegen de zin van een van de twee.' Bij contact gaat het om alle daadwerkelijke seksuele aanrakingen. (p. 63 en 64)
In de berichtgeving zijn die definities nauwelijks terug te vinden, laat staan dat wordt gesignaleerd in welke mate deze definities tot zeer uiteenlopende interpretaties bij de respondenten kunnen leiden. Zo zegt 82 procent van de respondenten dat het leren masturberen van verstandelijk gehandicapten (door een begeleider) acceptabel is. Heeft die 18 procent die dat onacceptabel vindt dat als misbruik gerapporteerd? Dertig procent vindt het acceptabel om samen onder de douche te gaan, zijn er bij de tegenstanders (70 procent) dan mensen die dit als misbruik melden? Daar is moelijk achter te komen, want deze cijfers zijn in het onderzoek niet gerelateerd aan welke respondenten welke vormen van misbruik melden.

3] Duidelijke gevallen.

In het onderzoek is sprake van 308 duidelijke gevallen van misbruik in de afgelopen twee jaar. Sommige kranten kiezen voor een percentage, 1,2 procent, andere voor 320 gevallen (het verschil zit in een aantal gevallen die langer dan twee jaar geleden hebben plaatsgevonden, dan wel valse beschuldigingen bleken te zijn). Waar die 308 gevallen nu precies uit bestaan, zegt het onderzoek helaas niet.
De onderzoekster heeft ervoor gekozen daar weer een selectie uit te maken en slechts 69 gevallen daadwerkelijk te beschrijven. Argument van de onderzoekster: 'alle gevallen, dat was teveel werk. ' De respondenten moesten het meest recente geval beschrijven. Het is zeer de vraag of hiermee een representatieve selectie wordt gemaakt, maar ernstiger is het dat de absolute aantallen in de verschillende categoriën (daders, vormen van misbruik) veel te klein worden om nog te kunnen percenteren. Achter de in de media gemeldde percentages als 'penetratie: 38 procent', 'met de hand moeten bevredigen: 28 procent' of 'hinderlijke seksuele aanrakingen: 16 procent' gaan absolute aantallen schuil van respectievelijk: 26, 27 en 11. Bij de soorten daders zijn er zelfs percentages berekend op basis van 1 (een!) geval.
Als je vervolgens dergelijke percentages in de kranten ziet staan ('eigen personeel: 16 procent van de daders'), moet je wel even slikken. Mochten er bij een vervolgonderzoek vijftig gevallen van penetratie gemeld worden, dan kan op de voorpagina: 'Verkrachtingen verstandelijk gehandicapten met 100 procent gestegen.' Kortom, het is zeer de vraag of je met dergelijke absolute aantallen mag projecteren op de totale populatie van ongeveer (ook dat is merkwaardig genoeg een onbekend cijfer) 100.000 geestelijk gehandicapten, hetgeen de basis is voor koppen als 'Duizenden misbruikt'. En dan laten we nog buiten beschouwing dat er geen garantie is dat sommige gevallen niet vaker zijn meegeteld. Evenmin zijn we er zeker van dat die 308 meldingen betrekking hedden op 308 afzonderlijke slachtoffers. En over de 341 vermoedens van misbruik waarbij 20 procent van de respondenten niet eens kon melden wat er gebeurd zou moeten zijn, zullen we maar zwijgen. De onderzoekster: 'We weten niet precies wat er gebeurd is, maar daar is het ook een vermoeden voor.'

4] Het tijdsbestek.

Zoals in de alle kranten te lezen viel, hebben de cijfers (308 meldingen, 1,2 procent) betrekking op de afgelopen twee jaar. Voor normale mensen is echter niet ongebruikelijk om te denken in termen van één jaar: jaarlijks zijn 1300 verkeersdoden bijvoorbeeld. De kranten zouden ook kunnen schrijven: '2600 doden in de afgelopen twee jaar', maar gebruikelijk is dat niet. Naar aanleiding van het NISSO-onderzoek hadden de kranten net zo goed kunnen schrijven: 154 meldingen per jaar, ofwel: 'Waarschijnlijk is 0,58 procent van de verstandelijk gehandicapten slachtoffer slachtoffer van een vorm van seksueel misbruik.' Maar ja, zo'n cijfer noopt niet meteen tot een nationaal actieplan. De onderzoekster: 'Ja, 0,6 procent had ook gekund.'

5] Het topje van de ijsberg.

Dat maar liefst 62,56 procent van de respondenten geen enkel duidelijk geval van misbruik kan melden, krijgt in het onderzoek (het percentage komt er als zodanig zelfs niet in voor) en dus in de media geen enkele aandacht.
Evenmin is er aandacht voor het feit dat een kwart van de respondenten gemiddeld drie gevallen rapporteert. Er valt op grond van het onderzoek echter niet achter te komen of er ook respondenten bij zijn die tientallen gevallen melden. Wel weten we dat mensen in instellingen met een open beleid op het gebied van seksualiteit meer gevallen melden, maar wat betekent dat? Dat als er meer wordt geëxperimenteerd er ook meer incidenten van misbruik zullen zijn? Of dat het bij de overige instellingen erger is, maar daar komen we niet achter omdat die respondenten er het zwijgen toe doen?
Als het gaat om dergelijke taboe onderwerpen zijn zowel onderzoekers als journalisten geneigd om uit te gaan van een sterke onderrapportage: 'deze cijfers laten slechts het topje van de ijsberg zien!' Dat het bij seksueel misbruik gaat om incidenten die de daders liever verborgen houden, is echter nog geen reden om statistisch gebrekkige informatie zonder enige aarzeling enorm uit te vergroten en te projecteren op grote bevolkingsgroepen. Dan leidt het ijsbergsyndroom tot onvermijdelijk tot vertekening.
Willy van Berlo, Seksueel misbruik bij mensen met een verstandelijke handicap. Delft 1995.

vrijdag 2 juni 1995

Redacties worstelen met virus. Ebola en de media.

Redacties worstelen met virus. Ebola en de media. De Journalist 2 juni 1995.


Peter Vasterman


“Het nieuws drong maar langzaam tussen de ochtendslierten van zijn dagelijkse hoofdpijn door: er was een nieuwe epidemie van het beruchte Ebola virus uitgebroken. Hij zette de radio in zijn groene Mitsubishi Pajero (3.5 V6)wat harder. ‘Shit’ dacht hij, ‘dat is het virus uit The Hot Zone, dat waar gebeurde verhaal, waar die film Outbreak over ging.’ Hij had het boek wel gelezen vorig jaar op vakantie met de jeep in de Spaanse Pyreneeën, maar de film, daar was hij nog niet aan toegekomen. Zijn nieuwe baan als eindredacteur van een actualiteitenrubriek had niet alleen aan veel kroegentochtjes een einde gemaakt. Nog voor hij zijn Pajero de ondergrondse parkeergarage indraaide , had hij al een plannetje bedacht voor de uitzending van die avond. Ze zouden fragmenten uit de film kunnen laten zien, afgewisseld met wat actueel nieuws en een interview met een deskundige. Kat in het bakkie! En spannend bovendien. Op de redactie begon hij onmiddellijk opdrachten uit te delen. De enige redacteur die Outbreak had gezien, sputterde nog een beetje tegen -die film ging immers over een heel ander virus en bovendien was het fictie- maar hij kreeg een sneer en moest het onderwerp doen over de Nederlandse ballonvaarders die een week in een koelcel met min 50 hadden gekampeerd. De eindredacteur tikte hoogstpersoonlijk, zoals gebruikelijk met twee vingers, de aankondiging: ‘Het is angstaanjagend, maar ook zo onwaarschijnlijk dat het alleen in Hollywood bedacht leek te kunnen worden en nu lijkt het gebeurt het echt. Want terwijl de film Outbreak over een geheimzinnig virus dat de mensheid bedreigt volle zalen trekt, is Zaïre het toneel voor een vergelijkbare echte virusepidemie virusexplosie.’ Dat wordt griezelen vanavond, grinnikte hij, terwijl hij merkte dat zijn hoofdpijn door de opwinding weer erger was geworden.”

Dit fragment lijkt alleen maar bedacht te kunnen worden voor het scenario van de serie Undercover met Marc Klein Essink, maar het gebeurde echt. Twee Vandaag presentator Rick Nieman spreekt deze tekst op 11 mei letterlijk uit. Terwijl de film Outbreak over het geheimzinnige ‘Motaba’ virus volle zalen trekt, kunnen sommige media de verleiding niet weerstaan om de indruk te wekken dat het scenario van Outbreak werkelijkheid is geworden in Zaïre.
De Twee Vandaag kijkers zien inmiddels groene beelden van een ondoordringbare jungle met geluiden van zware voetstappen, terwijl een donkerbruine Amerikaanse stem de volgende tekst uitspreekt: “Een monster dat zich schuilhield in het oerwoud van Afrika is door de mensen wakker gemaakt. Een genadeloze moordenaar: koud, rationeel, onzichtbaar. Dat monster loopt nu vrij rond.”
Volgende scène: legerhelicopters cirkelen boven een Amerikaanse stad, terwijl een stem beveelt: “Niemand mag de stad uit.” En Rick Nieman vervolgt zijn verhaal: “De speelfilm Outbreak is gebaseerd op een waar gebeurd verhaal over een onbekend apevirus met de naam Reston dat per ongeluk ontsnapt in een Amerikaanse stadje, (Beelden: aapje krabt een man in zijn arm), waardoor de complete wereldbevolking met de ondergang wordt bedreigd, maar het blijft gelukkig fictie.” (De besmette man bezwijkt in een winkel en passant zes aquaria meeslepend in zijn val. )
Na deze spannende beelden zien we Belgische professor Van der Groen in zijn laboratorium: gelooide tropenkop met baard, die dag onherroeplijk de meest geïnterviewde expert in West-Europa omdat hij het virus in 1976 ontdekte. Door het nagalmende geluid van de aquaria uit de film gaan de eerste woorden van zijn verhaal nagenoeg verloren. Hij legt uit dat het Restonvirus -waar The Hot Zone- over gaat- een virus is dat mensen wel kan besmetten, maar niet ziek kan maken. Voor de kijkers is deze uitspraak moeilijk te vatten na alle voorafgaande beelden, vooral ook omdat meteen daarna de commentaarstem vervolgt met: “Maar in een uithoek van Zaïre is de nachtmerrie inmiddels werkelijkheid geworden. 170 Zaïrezen zijn al aan het dodelijke Ebola virus overleden.” (Het is de vraag of een stad als Kikwit met 600.000 inwoners een uithoek genoemd kan worden.)
Terwijl we beelden zien van een groepje kinderen die onder leiding van een man met een fiets ordentelijk op weg zijn naar een onbekende bestemming (zijn dit archiefbeelden?), zegt de commentaarstem dat de inwoners van Kikwit ondanks de afgekondige quarantainemaatregel in paniek hun stad verlaten. Terug naar Van der Groen die weer het tegenovergestelde zegt: “Het plan om Kikwit te isoleren is zeker niet in praktijk gebracht, het is ook heel moeilijk om dat te doen, er zouden wel plannen zijn om de scholen te sluiten.”
Vervolgens duikt Twee Vandaag in de historie: het Marburg virus uit 1967 en het Ebola virus uit 1976 passeren de revue. De woorden van Van der Groen kalmeren de Twee Vandaag redactie een beetje: er is geen sprake is van besmetting via de lucht, alleen via lichaamsvocht. “Voor een massale wereldepidemie à la Aids,” zegt de commentaarstem, “hoeft niemand bang te zijn, daarvoor is het ziektebeeld van het Ebola virus te direct.” Wat daarmee bedoeld wordt, blijft vooralsnog duister.
Van der Groen zet de kijkers ook weer op het verkeerde been door de merkwaardige volgorde in zijn volgende uitspraak. “HIV, dat is een totaal ander virus, maar als je aan mij vraagt wat is nu echt gevaarlijk, dan noem ik Ebola en zijn vrienden de filovirussen, dat zijn .......... schaapjes in vergelijking met het HIV virus.”
Twee Vandaag concludeert: “De kans dat het scenario in de film Outbreak in het echt in Zaïre zal plaatsvinden is dan ook uiterst gering.” Maar toch gaan we weer terug naar de film: het Witte Huis, een commdant stormt binnen, “het gunstigste scenario ziet er al volgt uit”, beelden van de kaart van de VS met enkele rode stippen, “24 uur” (wat meer rode stippen), “36 uur” (nog veel meer rode stippen), “48 uur” (heel de VS is rood, en dus dood). Rick Nieman glimlacht naar de kijkers: “Zo erg is het gelukkig niet, iets heel anders nu, asielzoekers.....”

Op diezelfde donderdagavond de elfde mei besteden vrijwel alle nieuwsprogramma’s in binnen- en buitenland aandacht aan het Ebola virus in Zaïre. In de meeste uitzendingen, bijvoorbeeld van de BBC, RTL Nieuws en NOS journaal verklaren deskundigen dat er geen enkel bewijs is dat dit virus zich door de lucht verspreidt (zoals in de film Outbreak het geval is) en dat de kans op een epidemie buiten Zaïre uiterst gering is. Hoewel bijvoorbeeld het NOS journaal nog spreekt van een “zeer besmettelijk virus” maken prof. Van der Groen en ook dokter Coutinho van de Amsterdamse GG&GD later in Nova duidelijk dat de kans op besmetting juist zeer klein is. Je moet je handen al onderdompelen in het bloed van een slachtoffer om een kans op besmetting te hebben. Ebola is zeer moeilijk overdraagbaar. Van der Groen vindt de angst en de paniek zwaar overtrokken: geen toestanden zoals in de film Outbreak. (Nova laat hierbij weer een fragment uit de film zien van mannen met zogenaamde space suits).
Coutinho acht de kans dat iemand met een dergelijke besmetting naar het westen reist uiterst gering, omdat die mensen zo snel zo ziek zijn dat ze daartoe niet meer in staat zijn. Van het maanpakkengedoe (voor de tv-kijkers inmmiddels hét Ebola symbool) is Coutinho ook afgestapt omdat bij een goede zogenaamde barrière verpleging de kans op besmetting gering is. De vergelijking met Aids is niet mogelijk zegt hij: “Na vier of vijf keer, als het van mens op mens wordt overgedragen, dooft het natuurlijk uit. Dat wijst erop dat de besmettelijkheid zo gering is dat de kans op overdracht te klein is om tot een epidemie te leiden.” Een vaccin zal er niet zo snel komen omdat er te weinig slachtoffers zijn, “daar investeert de industrie niet in.”
Een dag later op vrijdag 12 mei besluit de TROS een documentaire uit te zenden over het (“inmiddels gevreesde”) Ebola virus. Een samenvatting daarvan is te zien in Twee Vandaag . Die weergave met tal van schokkende beelden identificeert het Ebola virus weer met mensen in maanpakken, besmettingen via apen en tal van sterfgevallen. Door de samenvatting worden tal van quotes uit hun verband gerukt. Onjuist is ook de mededeling dat een van de apeverzorgers in Reston ziek werd van het virus maar deze besmetting overleefde. De documentaire gaat voor een groot deel over die gebeurtenissen in Reston, een stad in de buurt van Washington waar in 1989 honderden apen werden gedood omdat ze besmet waren met een Ebola-achtig virus, dat vervolgens naar de stad werd genoemd en nu bekend staat als het Reston virus. Dit virus is, zoals Van der Groen ook al zei, voor mensen ongevaarlijk en voor apen dodelijk. De documentaire besluit met de sombere voorspelling dat virussen binnen 24 uur de hele wereld kunnen afreizen en een wereldwijde epidemie kunnen veroorzaken. Het Reston virus verplaatste zich in het apenhuis via de lucht en als dat gebeurt kan zo’n virus de hele mensheid bedreigen.

In de berichtgeving in de dagen volgend op gebeurtenissen in Zaïre is dat de dreiging die telkens wordt opgeroepen, waarbij er nauwelijks onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende virussen, Marburg (1967) Ebola Zaïre (1976), Reston (1989) en natuurlijk het duistere virus uit Outbreak.
De berichtgeving in de dagbladen laat vanaf de allereerste dag in feite twee gezichten zien: aan de ene kant wordt het beeld versterkt van een uiterst besmettelijk virus dat een bedreiging kan vormen voor de hele mensheid, aan de andere kant zijn er tal van zeer informatieve artikelen met uitspraken van deskundigen die die dreiging relativeren en die precies uitleggen hoe dit virus in elkaar zit.
Een goed voorbeeld daarvan is Trouw op donderdag 11 mei: “Vrees voor uitbreken epidemie in Zaïre door dodelijk virus.” In dit stuk, gebaseerd op persbureaumateriaal citeert de redacteur uit het boek (“de thriller”) The Hot Zone van journalist Richard Preston: “Een gevaarlijk virus uit het regenwoud is van geen plek op aarde verder verwijderd dan 24 uur in het vliegtuig. De ebolaziektekiem kan in tien dagen doen waarvoor het aidsvirus tien jaar nodig heeft.” En Trouw vervolgt: “Het virus speelt ook een hoofdrol in de film Outbreak die momenteel in de bioscopen is te zien. daarin verspreidt het virus zich vanuit Zaïre over de VS.” De betekenis die van deze zinnen uitgaat (ook te vinden in De Telegraaf van 11 mei) is niet voor misverstand vatbaar: het Ebola virus kan zich binnen 24 uur over de hele wereld verspreiden en daar heeft Aids tien jaar voor nodig gehad.
Een dag later staat in Trouw een stuk van de wetenschapsredactie waarin de film Outbreak sterk “overdreven” wordt genoemd en waarin ook verwezen wordt naar The Hot Zone van Preston (“een stuk betrouwbaarder”). Interessanter is dat de vergelijking met de verspreiding van Aids, zoals Trouw de dag ervoor meldde als “misleidend” wordt betiteld. “Net als het Aids-virus is Ebola bovendien weinig besmettelijk.” Aldus de Trouw wetenschapsredacteuren, die het boek van Preston waarschijnlijk ook niet hebben gelezen, anders hadden ze kunnen vaststellen dat dit citaat van Preston helemaal niet in het boek voorkomt. De twee zinnen komen ongeveer in die formulering wel voor het boek, maar daar zitten zo’n dertig (!) pagina’s tussen. De ene zin luidt: “Een actief virus uit het regenwoud kan binnen vierentwintig uur aan boord van een vliegtuig naar iedere stad in de wereld reizen.” (p. 32 in Het Killervirus, de Nederlandse vertaling) De andere: “Vanaf het moment dat Ebola je bloedsomloop binnendringt is de strijd verloren - je bent ten dode opgeschreven. Je kunt Ebola niet terugdringen zoals je met een verkoudheid doet. Ebola doet in tien dagen waar aids tien jaar over doet.” (pagina 63). In het boek is het volstrekt duidelijk dat deze uitspraak betrekking heeft op het ziektebeeld van een met Ebola besmette patiënt en niet op de wereldwijde verspreiding van het virus.
Het is de vraag waar de oorsprong ligt van de creatie van dit ‘nieuwe’ citaat van Preston. Een speurtocht door de berichten van de verschillende persbureau’s van 10 mei levert een paar aanknopingspunten op. Een van de eerste telexen (kop: “Ebola virus can be deadlier than the HIV.”) is afkomstig van DPA en daarin komen citaten voor uit The Hot Zone: “A dangerous virus from the rainforest is not more than 24 hours away by air from any part of the world.” En even verder: “The Ebola virus cannot be got rid of like a cold. It does in ten days what Aids needs ten years for.” Daartussen in staan nog wat verontrustende uitspraken als: “Ebola is much more infectious than the HIV which causes Aids.”
Ook Reuters gaat er in een van de eerste berichten op 12 mei flink tegenaan: “An epidemic more gory than Aids.” “...but experts say its victims turn to mush too quickly to spark a global plague.” “While the symptoms surpass any horror movie, the release in Britain of a new Dustin Hofmann film chronicling a devastating viral epidemic has fulled fears of a new killer to rival Aids.” En misschien heeft de Twee Vandaag deze Reuters telex wel gebruikt als basismateriaal voor het schrijven van de presentatietekst: “But like today’s epidemic in Central Africa Outbreak is chilling fiction that could become a nightmare fact.”
Daarnaast verpreidt Reuters ook veel berichten waarin Ebola correct wordt beschreven en de vergelijking met Aids door allerlei deskundigen van de hand wordt gewezen. Een andere nieuwsbron zou The Times kunnen zijn geweest die al op 10 mei al de Ebola epidemie meldt met de verontrustende toevoeging dat “some strains can be transmitted in the air.” Ook The Times redacteur heeft Preston bij de hand: “Easy travel makes it possible that viruses such as Ebola and Marburg will escape from their home range and spread around the world.” Vervolgens plakt hij er nog achteraan: “Health experts fear it could cut a swat through densely populated Europe and America, making Aids ‘look like a common cold’.”
Het ligt voor de hand dat dergelijke citaten uit de allereerste berichten bepalend zijn geweest voor de manier waarop verlaggevers op die donderdag met Ebola aan de slag gingen. En naarmate de tijd verstreek en de aantallen slachtoffers -zoals zo vaak bij dit soort nieuws- de neiging hadden om te dalen in plaats van te stijgen (van 200 naar 30 en vervolgens weer naar 100), verschenen er in veel kranten goede achtergrondverhalen en interviews.
Er is echter maar één krant geweest, Die Zeit van 19 mei, waarin een microbioloog daadwerkelijk ingaat op wat er in de film Outbreak gebeurt, namelijk een mutatie van een apevirus in een voor mensen dodelijk virus. Jan ter Meulen van het Bernahrd-Nocht-Institut in Hamburg schrijft daarin dat het theoretisch wel mogelijk is dat het Ebola-virus een mutatie ondergaat en andere eigenschappen krijgt, maar mutaties vinden alleen plaats wanneer ze een “Selektionsvorteil” opleveren en wanneer de selectiedruk een tijdje werkzaam is. Dat is bij Ebola niet het geval, dit virus schijnt een grote genetische stabiliteit te bezitten en is in de afgelopen twintig jaar niet veranderd. “Einerseits ist das Virus wohl sehr genau an seinen natürlichen Wirt angepasst (daher seine Stabilität) und vermehrt sich andererseits im Menschen so rasant, dass es zu keiner Selektion von Mutanten kommt.” Een verandering van het virus tijdens een epidemie onder mensen is dus onwaarschijnlijk en bovendien is nog bij geen enkel virus een verandering opgetreden van de wijze van overdracht.
Het zou interessant zijn om eens te onderzoeken wat kijkers, lezers en luisteraars enkele weken later nog weten over het Ebola virus na al die publiciteit, waarin de grens tussen fictie en werkelijkheid niet altijd even scherp was. Zouden ze weten dat Ebola geen epidemie kan worden zoals Aids omdat mensen er te snel aan dood gaan? Dat verspreiding via de lucht niet aan de orde is? En dat het in Reston en in The Hot Zone ging om een voor mensen onschuldig virus? Ik betwijfel het. Outbreak was toch gebaseerd op een waar gebeurd verhaal? Of was dat boek van Preston toch een thriller in plaats van een betrouwbaar journalistiek verslag? Verdacht is in ieder geval wel dat Preston de Antwerpse prof. van der Groen, de ontdekker van het Ebola Zaïre virus (1976), die drie maanden in Zaïre heeft gewerkt om de epidemie te bestrijden niet in het boek voorkomt en dat verschillende feiten in het boek afwijken van die uit de TROS-documentaire......

Foto van kinderen:
Het onderschrift in de Volkskrant bij deze foto -die veel kranten heeft gehaald- luidde: “De kinderen bedekken hun gezicht in de veronderstelling dat dit hen beschermt tegen het virus.” Zo’n tekst wekt de indruk dat Ebola zich door de lucht kan verplaatsen en zo besmettelijk is dat het bedekken van de mond niet zal helpen. Zoals de Volkskrant zelf ook in allerlei stukken schreef, is dat onjuist.

Peter Vasterman is docent aan de School voor Journalistiek en Voorlichting en doet onderzoek naar mediahypes.